artikel

Rechtbank wijst vordering overheid wegens niet tijdig verleggen kabels af

infra

In verband met werkzaamheden in de nabijheid van de N 220 had de Provincie Zuid-Holland (“de Provincie”) netbeheerder Westland Infranet Beheer BV (“WIB”) verzocht haar ter plaatse gelegen kabels en leidingen te verleggen. WIB is hiertoe overgegaan.

Volgens de Provincie echter te laat, waardoor de aannemer die de N 220 werkzaamheden verrichtte niet door kon met zijn werkzaamheden en meerwerk in rekening heeft gebracht. De Provincie verzocht de Rechtbank ’s-Gravenhage WIB te veroordelen tot betaling van onder meer deze meerkosten. De Rechtbank wees de vordering in haar vonnis van 22 februari 2012 (LJN: BV7172) af.

De Provincie stelde dat WIB de door haar gegeven opdracht, niet behoorlijk zou zijn nagekomen en WIB op die grond schadeplichtig zou zijn. De Rechtbank kwalificeert het verzoek tot verleggen evenwel niet als een privaatrechtelijke overeenkomst van opdracht, doch als een aanzegging gebaseerd op een door de Provincie aan WIB verleende ontheffing. Op grond van die ontheffing was het WIB toegestaan om haar kabels en leidingen langs de provinciale wegen te laten liggen.

De Provincie ging er vanuit dat WIB op 6 september 2006 haar kabels op “locatie 3” zou hebben verlegd. Dat bleek echter niet het geval te zijn. Hierdoor zou vertragingsschade zijn ontstaan. Verder zouden er meerkosten zijn ontstaan doordat WIB op 18 september 2006 niet aan een hernieuwde afspraak zou hebben voldaan om de kabels te verleggen. De centrale vraag was derhalve of WIB gehouden was om op 6 september 2006, dan wel op 18 september 2006 haar werkzaamheden gereed te hebben.

Ter beantwoording van die vraag stelt de Rechtbank vast dat noch in de ontheffing, noch in de aanzeggingsbrief aan WIB een termijn is genoemd waarbinnen zij de verlegging maatregelen uiterlijk had moeten treffen.

De Rechtbank acht WIB niet schadeplichtig voor de vertraging die was opgetreden op 6 september 2006, omdat de Provincie WIB niet op enig moment een concrete – schriftelijke – termijn had gesteld om aan haar verplichtingen te voldoen. Evenmin had WIB een toezegging gedaan dat zij op 6 september 2006 gereed zou zijn. Van een overschrijding van een termijn was volgens de Rechtbank dan ook geen sprake.

De Rechtbank acht WIB evenmin schadeplichtig voor de meerkosten welke voortgevloeid zouden zijn uit het feit dat de Provincie dacht dat zij op 18 september 2006 niet door kon, omdat er nog stroom op een kabel zou staan. Nadat de Provincie er achter kwam dat er toch geen stroom op stond, waren de werkzaamheden hervat. De Rechtbank was van oordeel dat WIB ter zake geen verwijt kon worden gemaakt, omdat WIB had de Provincie er via een e-mail tijdig van op de hoogte had gebracht dat de kabel buiten bedrijf was gesteld.

De vorderingen zouden in mijn visie eveneens zijn afgewezen, indien de Rechtbank de vordering had beoordeeld op grond van een overeenkomst van opdracht of aanneming van werk. Ook dan zou WIB slechts schadeplichtig zijn geweest indien zij een termijn zou hebben overschreden.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels