artikel

Voorschot op vordering in verband met liquiditeitsproblemen

infra

In een recente zaak bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw (2 oktober 2012, No. 31.023) probeert een aannemer een voorschot te krijgen op zijn vorderingen. Deze vorderingen hebben betrekking hebben op meerwerk en op werkzaamheden die volgens aannemer waren uitgevoerd op regiebasis.

Aannemer vraagt om een voorschot van €2.254.535,20 en stelt daarbij dat de duur van de procedure hem in liquiditeitsproblemen zal brengen. Gezien de slechte economische markt, heeft hij geen tijd om het eindvonnis af te wachten.

De aannemer vraagt om een voorlopige voorziening te treffen en stelt een zogenaamde provisionele vordering in. In een arbitrageprocedure bij de Raad is dat eigenlijk niet mogelijk, maar opdrachtgever gaat akkoord.

Voor de toewijzing van een dergelijke provisionele vordering, moet aan een aantal minimumvereisten worden voldaan. De hoofdvordering moet aanhangig gemaakt zijn en de provisionele vordering moet voldoende samenhang hebben met deze hoofdvordering. Daarnaast moet er spoedeisend belang zijn. Van de eiser moet niet kunnen worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. De eis is echter minder zwaar dan bij een voorlopige voorziening in kort geding.

In deze zaak was de hoofdvordering aanhangig gemaakt en er was voldoende samenhang met de hoofdzaak. Ook de spoedeisendheid is aannemelijk gezien de dreigende liquiditeitsproblemen voor de aannemer.

De opdrachtgever verweert zich tegen de vordering tot betaling door te stellen dat er sprake was van een vaste aanneemsom en er nooit toestemming is gegeven voor het verrichten van meerwerk, en dat er daarnaast ook sprake is geweest van minder werk. Aannemer stelt op zijn beurt dat er nooit sprake is geweest van een vaste aanneemsom omdat de begrotingen altijd zijn afgestempeld als ‘voorlopig’ en later als ‘beraamd’. Het meerwerk is niet iedere keer voorgelegd aan de bouwvergadering maar is wel steeds per mail aan opdrachtgever gemeld. De opdrachtgever meent voor een ‘fait accompli’ te zijn gesteld, doordat het meerwerk pas werd gemeld nadat het was uitgevoerd.

Opdrachtgever stelt dat sprake is van een restitutierisico en dat als arbiters een voorschot zouden toewijzen, aannemer daarvoor zekerheid dient te stellen.

De arbiters zijn van oordeel dat de vordering nog verder behandeld moeten worden aangezien de visies van aannemer en opdrachtgever nog te ver uiteen liggen. Arbiters kunnen in dit stadium van de procedure niet vaststellen welk deel van de vordering naar grote mate van waarschijnlijkheid aan aannemer toekomt. En voorschot kan niet worden toegewezen. Arbiters geven aan dat zij er alleen op toe kunnen zien dat partijen met voldoende voortvarendheid zullen doorprocederen en de eindbeoordeling niet zullen vertragen.

Teleurstellend voor de aannemer. Die zal het eindoordeel moeten afwachten, als dat nog lukt.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels