nieuws

Paul de Ruiter: ‘Aannemers denken op dit moment nog te veel in risico’s’

bouwbreed Premium 2759

Paul de Ruiter: ‘Aannemers denken op dit moment nog te veel in risico’s’

Het hoofdkantoor van TNT in Hoofddorp, Villa Kogelhof in Zeeland, het QO-hotel Amsterdam: op het gebied van duurzame ontwerpen is architect Paul de Ruiter momenteel de man. Geliefd bij opdrachtgevers én bij aannemers. Hoe komt dat? En, wat kan er volgens hem beter in de bouw?

LEED-platinum. Daarop koerste Paul de Ruiter bij de bouw van QO Amsterdam, de vorig jaar april geopende, aan de Amstel gelegen ‘Tesla onder de hotels.’ Het is gelukt, maar dat ging niet vanzelf. De lat ligt hoog bij dit duurzaamheidskeurmerk, onder meer wat betreft energieprestaties, materialen, het binnenmilieu en het bouwen zelf. Zwaar tillen en extra stof veroorzaken is uit den boze, evenals te veel afval produceren op de bouwplaats. Normaal is dat gemiddeld ongeveer 60 kilo afval per vierkante meter; bij LEED-platinum mag dit maximaal 12 kilo zijn.

Best lastig bij een gebouw van twintig verdiepingen. Traditioneel gaan alle materialen in grote verpakkingen en hoeveelheden omhoog. Daar wordt alles uitgepakt en gezaagd. Gevolg: veel afval en stof. Kon J.P. van Eesteren, de aannemer, daar geen oplossing voor bedenken?

Jazeker. De TBI-dochter zaagde in een fabriekshal per hotelkamer alles op maat. Die ‘bouwpakketjes’ gingen met de lift omhoog. Daar werden de kamers een voor een in elkaar gezet. “Een briljante oplossing,” vindt De Ruiter. “Alles past, je hoeft geen zware platen te sjouwen, je hebt geen afval, je ziet direct resultaat en leert van de fouten die je hebt gemaakt. Normaal begint er een ploeg met de staalprofielen. Die doet alle 300 kamers. Dan komt er een team achteraan met gipsplaten. Maken ze ergens een fout, dan herhalen ze die 300 keer; moeten ze die 300 keer herstellen.”

Waar het tussen architecten en bouwers nog wel eens wil schuren en botsen betrekt De Ruiter bouwers vanaf scratch bij zijn ontwerpen

In goede harmonie samenwerken met de aannemer: voor Paul de Ruiter, wiens architectenbureau momenteel gouden tijden beleeft, is het vanzelfsprekend. Waar het tussen architecten en bouwers nog wel eens wil schuren en botsen – de architect hecht aan het ontwerp; het draagt zíjn signatuur, de aannemer wil vooral snel – betrekt De Ruiter bouwers vanaf scratch bij zijn ontwerpen. Wat zit daarachter? En, wat vindt hij überhaupt van aannemers? Een interview.

Amsterdam Zuidwest, een winderig industrieterrein, ergens eind december. Eindelijk heeft Paul de Ruiter tijd voor een gesprek; 2018 was een druk jaar voor de architect en zijn inmiddels ruim dertig medewerkers tellende bureau. Net zo als 2017 en de jaren daarvoor. Zelfs tijdens de crisis, een periode waarin veel bureaus slagzij maakten, ging het Paul de Ruiter Architects voor de wind.

Die conjunctuur-dip was een mooie aanleiding om, naast het werk, zijn in 1994 gelijk met de start van zijn bureau op hold gezette promotieonderzoek weer op te pakken, dacht De Ruiter. The chameleon skin luidt de titel van deze studie, waarmee De Ruiter wil onderzoeken in hoeverre de buitenkant van gebouwen het (leef)klimaat binnen kan optimaliseren. Dat kan, heeft hij inmiddels bewezen – het QO-hotel bijvoorbeeld heeft een schil die bestaat uit isolerende, verdiepingshoge luiken, die automatisch sluiten wanneer de hotelgast de kamer verlaat. Dat is goed voor 65 procent energiebesparing op de verwarming. Maar het promotieonderzoek ligt nog steeds ergens diep weggeborgen in een lade – de promotor is inmiddels met pensioen.

‘Wij hebben vaak een streep voor omdat we ‘verse’ referenties hebben’

Paul de Ruiter richt zich vanaf de start van zijn bureau op duurzame ontwerpen. Met succes. Hij groeide uit tot een van de belangrijkste architecten op dit gebied (zie kader). Dat maakte het bureau crisisresistent, meent de architect. “Duurzaamheid leeft. Als opdrachtgevers zich dan afvragen: bij wie moeten we zijn?, komen ze snel bij ons terecht. Wij hebben vaak een streep voor omdat we ‘verse’ referenties hebben. In een crisis is het best wel moeilijk je portfolio op orde te krijgen.”

Op 18 april vindt de praktijkdag circulair bouwen plaats in het QO hotel van Paul de Ruiter

Bij De Ruiters ontwerpen staat de mens centraal. Of, in zijn woorden: “Het is belangrijk dat je in een gebouw lekker werkt. Dat er een ziel in zit, dat je er energie van krijgt, je er gezond en productiever in bent. Ook dat is duurzaamheid.”

Die keuze is allesbepalend voor zijn werkwijze. De Ruiter ontwerpt van binnen naar buiten. Niet dat de buitenkant er niet toe doet. “Het gaat om de integraliteit. Het moet er ook mooi uitzien. Het gaat erom dat alles klopt. Wat wij interessant vinden is dat het niet alleen mooi is, maar dat je ook kunt uitleggen dat het ook nog slim is in klimaattechnische zin, niet alleen voor mensen, maar ook voor de aarde en het milieu. Een soort innerlijke schoonheid.”

‘Duurzaamheid is synoniem aan de lange termijn. Het gaat over intelligentie, intelligent ontwerpen en bouwen, dat moet je samen doen’

Die integrale benadering noopt volgens De Ruiter automatisch tot samenwerking. Hij doelt daarmee op constructies als design en build en pps. “Voorheen was het: de architect ontwerpt iets en de aannemer bouwt dit. Die hadden dan nog wel eens strijd over wat er nu precies bedacht was. Bij design en build en pps moet je voor een langere periode nadenken over je gebouw en de consequenties van je ontwerp. Duurzaamheid is synoniem aan de lange termijn. Het gaat over intelligentie, intelligent ontwerpen en bouwen, dat moet je samen doen.”

Paul de Ruiter: “De kracht van de architect is dat hij onafhankelijk denkt en van alle ogenschijnlijk tegenstrijdige belangen iets goeds kan maken, iets moois wat goed functioneert en er van buiten ook nog eens goed uitziet.”

Volgens De Ruiter krijgen architecten en aannemers daardoor steeds meer respect voor elkaars ambacht. “Aannemers worden bouwers; ze denken na over design en build. Dat is een heel andere rol dan een bestek uitrekenen en uitvoeren.” Al verlopen die avances niet altijd vlekkeloos, weet hij. “Sommige aannemers denken: wat kan nu een architect? Die kan bij wijze van spreken alleen maar de kleur bepalen. Wat een architect goed kan is integraal nadenken; hij kan als geen ander alles – van constructies en installaties tot de wensen van opdrachtgevers – vertalen tot een geheel. Een aannemer weet dat hij daar de architect voor nodig heeft, en vice versa.”

Komen aannemers en architecten straks onder één paraplu? Met fronsende wenkbrauwen: “Dat denk ik niet. De kracht van de architect is juist dat hij onafhankelijk denkt en van alle ogenschijnlijk tegenstrijdige belangen iets goeds kan maken, iets moois wat goed functioneert en er van buiten ook nog eens goed uitziet. Daar heb je creativiteit en oplossingsgerichtheid voor nodig. De architect in een aannemersbedrijf integreren komt het resultaat vaak niet ten goede. Dan sta je in dienst van de aannemer. Het spanningsveld tussen wat de architect inbrengt en wat de aannemer inbrengt: dat zorgt juist voor verrassende oplossingen.”

‘De markt is nu zo overspannen dat aannemers geen zin meer hebben over design en build na te denken’

“De kunst is dat iedereen over zijn eigen vakgroep heen kijkt,” vervolgt hij. “Kijk, iedereen wil altijd heel snel van A naar B. Maar ontwerpen is eerst divergeren en dan convergeren. Aannemers die dat goed beheersen, weten dat je niet in een keer tot een ontwerp komt, maar dat je verschillende opties moet hebben voordat je tot een synthese komt. Dat je van grof naar fijn gaat.”

Paul de Ruiter

Paul de Ruiter (1962) studeerde in 1990 cum laude af aan de TU Delft en startte in 1994 zijn eigen bureau, Paul de Ruiter Architects. Dit richt zich vanaf het begin op duurzame, energiezuinige architectuur en is in de loop der jaren uitgegroeid tot een middelgroot bureau dat toonaangevend is op het gebied van duurzame ontwerpen. Spraakmakende projecten zijn het CO2-neutrale hoofdkantoor voor TNT in Hoofddorp, Villa Kogelhof in Zeeland en het QO-hotel in Amsterdam. Momenteel werkt Paul de Ruiter Architects onder meer aan het Unilever Global Foods Innovation Centre in Wageningen en het Biosintrum in Oosterwolde. De Ruiter is tevens lid van het bestuur van de Dutch Green Building Council, het Q-team van het Havenbedrijf Rotterdam, de Subcommissie Integrale Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam en de programmaraad van Arcam, het architectuurcentrum Amsterdam.

Design en build– en pps-constructies lenen zich volgens De Ruiter doorgaans goed voor deze integrale aanpak. De architect weet dat er aannemers zijn die daar iets anders over denken. Erg jammer, vindt hij. “Het is een enorme kans om gebouwen te verduurzamen, immers duurzaamheid is investeren op de langer termijn. Maar de markt is nu zo overspannen dat aannemers geen zin meer hebben over design en build na te denken, omdat ze alle mensen nodig hebben om volume te draaien. Ze hebben het liefst een bestek helemaal uitgewerkt, omdat daar het minste risico in zit. Aannemers denken momenteel te veel in risico’s.”

Maar zodra de hoogtijdagen in de bouw voorbij zijn, zal de belangstelling voor samenwerkingsconstructies weer toenemen, voorspelt de architect. “We hebben echt een enorme opgave te gaan met die energietransitie. Dat moet je met elkaar oplossen. Je moet samenwerken. De beste vorm in deze markt is in onze ogen dat we tot en met de bouwvergunning ontwerpen en dat we dan een design en construct beginnen of een bouwteam. Opdrachtgevers weten ook dat je dan niet in een ongewis traject komt. Met de aannemer aan boord heb je zijn bouwkennis, kan de aannemer onderaannemers vastleggen, heb je een gegarandeerde prijs en een project dat op planning is.”

‘We moeten op grote schaal ingrijpende stappen zetten’

Heel vreemd dat veel aannemers niet staan te juichen over intensieve samenwerkingsconstructies, vindt De Ruiter het overigens niet. De bouw is nogal behoudend en innoveert überhaupt te weinig, luidt zijn oordeel.

“Er zou veel meer onderzoek moeten plaatsvinden naar duurzaam bouwen. Denk aan promoties en leerstoelen gefinancierd door aannemers en ontwikkelaars. Aannemers doen steeds hetzelfde. Henry Ford zei ooit: “Als ik mensen gevraagd had wat ze zouden willen hebben, hadden ze geantwoord: snellere paarden.” Met het oog op de klimaatdoelen is dat een slechte zaak. We moeten op grote schaal ingrijpende stappen zetten. Dat wil je doen op basis van goed onderbouwde kennis.”
En De Ruiters eigen promotie: gaat dat er nog van komen? Lachend: “Ik denk het wel.”

 

Reageer op dit artikel