nieuws

De Arbiter: Het niet te verwaarlozen risico op boutslip

bouwbreed 1093

De Arbiter: Het niet te verwaarlozen risico op boutslip
raad van arbitrage De Arbiter

Een uitkraging buigt door als gevolg van boutslip. De zakking blijft binnen de normen maar toch raakt de veiligheid in het geding.

De Arbiter

Vonnissen van de Raad van Arbitrage zijn vaak interessant voor een breder publiek dan alleen de partijen die bij het geschil betrokken zijn. In deze rubriek wordt elke maand een zaak van de Raad besproken.

Een uitkraging aan een nieuw schoolgebouw zakt door. Uit onderzoek blijkt dat boutslip de boosdoener is. De opdrachtgevers (een stichting en een gemeente) willen dat de aannemer herstelwerk verricht. Die doet dat, maar daarna ontstaat er onenigheid over de kosten. Uiteindelijk belandt het conflict bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw. In twee samenhangende geschillen, tussen aannemer en opdrachtgevers enerzijds en tussen opdrachtgevers en hun architect anderzijds.

Herstelkosten

De aannemer claimt ruim 265 duizend euro van de opdrachtgevers voor zijn herstelwerk en wil ook 172 duizend euro aan uitstaande facturen betaald zien. Hij stelt dat hij de uitkraging correct en volgens het door de opdrachtgevers geleverde bestek heeft uitgevoerd.
De opdrachtgevers vinden dat de architect verantwoordelijk is voor de schade en het herstel. Bovendien hebben ze zelf extra kosten gemaakt. Daarvan willen ze ruim 84 duizend euro terug van de aannemer en circa 64 duizend van de architect. De architect vindt op zijn beurt juist dat hij bijna 17 duizend euro te goed heeft, voor extra reken- en tekenwerk als gevolg van de problemen.

Technische beoordeling

De twee verdiepingen hoge uitkraging van 16,5 meter is uitgevoerd met de voorgeschreven zeeg van 80-90 mm. De zakking, variërend van 5 tot 64 mm door de nullijn, blijft binnen de tolerantie van 132 mm (0,008×16,5; NEN-EN 1990). Maar de opdrachtgevers vinden de verzakking te groot, al hebben ze niet van tevoren een van de norm afwijkend maximum bepaald. De aannemer vindt echter dat het herstel bouwkundig en constructief niet nodig was.
Toch vinden de arbiters dat er constructief bezien wel degelijk sprake was van een te verhelpen gebrek. Een ongelijke verzakking van spanten deed de hele constructie torderen en veroorzaakte plaatselijk grotere (moment)krachten dan waarop het geheel is berekend. Daarmee was de veiligheid in het geding.

Wie is verantwoordelijk?

Een constructeur heeft de hoofdopzet van de staalconstructie bepaald, in opdracht van de architect. Een staalbouwer heeft de detailengineering verzorgd, in opdracht van de aannemer. Die heeft de details ook voorgelegd aan de constructeur.
De zakking is veroorzaakt door boutslip in de diverse verbindingen. Bij gewone boutverbindingen kan, anders dan bij voorspanbouten, injectiebouten, of bouten met vulringen, boutslip optreden. In dit geval was de maximale speling per koppeling 8 mm.
De mogelijke gevolgen hiervan zijn volgens de arbiters door geen van de partijen afdoende onderkend. Zowel de constructeur als de staalbouwer had, ieder binnen zijn eigen verantwoordelijkheid, het risico op boutslip met alle mogelijke gevolgen van dien kunnen en moeten onderkennen.

Gedeelde smart

In het geschil tussen aannemer en opdrachtgevers zijn de laatsten verantwoordelijk voor het werk van de architect en dus van de constructeur. De aannemer is dat voor de staalbouwer. Daarom worden de aansprakelijkheid en daarmee ook de kosten van herstel en schade 50-50 verdeeld.
De arbiters corrigeren wel de diverse kostenberekeningen. Het vonnis besteedt daar meer dan zes kantjes A4 aan. We beperken ons hier tot de herstelkosten. Die worden gereduceerd tot ruim 240 duizend euro, waarvan de aannemer dus de helft terugkrijgt van de opdrachtgever. Gezien de aansprakelijkheid van de architect moet die, in het andere geschil, de opdrachtgevers hun helft van de herstelkosten vergoeden. De proceskosten in beide geschillen komen voor rekening van respectievelijk de architect en de aannemer. Ze vergoeden elk ook aan de opdrachtgevers de kosten van hun rechtsbijstand.


(Meer over dit vonnis is te vinden op raadvanarbitrage.info, onder nummers 35.772/36.020)

Reageer op dit artikel