nieuws

De kracht van de infrasector: een goed bewaard geheim

bouwbreed 22

De kracht van de infrasector: een goed bewaard geheim

Wat zijn de ontwikkelingen in de branche? Hoe bereiken we dat het kennisniveau omhoog gaat? En hoe interesseer je nieuwe mensen voor infra?

Aan tafel zitten Annemieke Nijhof, CEO van Tauw en topvrouw van het  jaar 2015. Teus de Wit, algemeen directeur bij de Versluys bedrijven in Bodegraven. Daarnaast dagelijks bestuurslid bij Bouwend Nederland. Henry Meijdam, algemeen directeur van het interprovinciaal overleg, en tot 1 januari 2016 directeur opleidingsbedrijf ESPEQ Heerhogowaard.

De financiële crisis ligt grotendeels achter ons. Ook de bouw krabbelt overeind en schudt haar veren uit. nieuwe tijden vragen om nieuwe inzichten, andere manieren van werken. Hoe staat de sector er voor?

“We zijn van de financiële crisis rechtstreeks in een personele crisis beland.” Henry Meijdam windt er geen doekjes om. Hij waarschuwde er al zes jaar voor. “Too little, too late. Aan alle kanten komen we vakmensen tekort en ik zie nog altijd geen structurele inzet om het imago van de sector te verbeteren bij jonge mensen. We gaan daardoor straks achterlopen in de ontwikkelingen.”

Zo, we zijn begonnen. Een pittige stelling meteen aan het begin van het gesprek.

Maar Teus de Wit beaamt meteen dat er een probleem is in de infrasector, als het gaat om personele vernieuwing. “We lopen op tegen een tekort van achtduizend mensen per jaar.” Ook Bouwend Nederland en de opleidingsbedrijven, die de afgelopen jaren zijn doodgebloed, hebben hiervoor de afgelopen jaren gewaarschuwd. “Maar we zijn hierin aanzienlijk tekortgeschoten.” “We hebben vooral andere mensen nodig,” zegt hij. “Een paar goede handen en een goede wil om te werken is niet langer genoeg.” Robotisering en digitalisering vragen om anders opgeleide mensen. “We hebben die achtduizend mensen keihard nodig. Ik zie nog niet hoe we dat gaan doen.”

Annemieke Nijhof noemt zichzelf een onverbeterlijke optimist. “Ik denk namelijk dat we het wél gaan redden. Maar we moeten wel een goede boodschap uitdragen over ons vak. ” “We hebben een prachtig vak”, vervolgt ze, “maar dat is een goed bewaard geheim voor de mensen die er niet in zitten. Infratechniek is veel meer dan oud asfalt eraf, nieuw erop. Infratechniek zal een oplossing bieden voor veel grote duurzaamheidsvraagstukken die op ons afkomen. Energietransitie, biodiversiteit, aanpassingen door klimaatverandering; elk beheer- en onderhoudsproject wordt een interessante ontwerpopgave. Nederland is nog lang niet af: die boodschap moeten we uitdragen. En we hebben inderdaad andere mensen nodig. Mensen die buiten het domein van ontwerpen en bouwen kijken. Mensen die een baan zoeken omdat ze een maatschappelijke bijdrage willen leveren.”

Infra is niet alleen stenen stapelen

“Klopt”, beaamt Meijdam. “Het is niet alleen stenen stapelen, het is vooral slim nadenken over de vraag hóe kan ik mijn stenen zo stapelen dat ik daar competitief mee ben. Hoe zorg ik dat ik nieuwe technieken toepas en dat het ook duurzaam is. Zodat het werk aan de maatschappelijke eisen voldoet die we met elkaar stellen.”

Als voorbeeld noemt Nijhof de N470 in Zuid Holland. Toen er aan deze provinciale verbindingsweg groot onderhoud moest worden gepleegd, is gekeken hoe dit meer toekomstbestendig kon worden uitgevoerd. De weg moest uiteindelijk energie gaan opleveren. “Hierbij stonden onze meest creatieve mensen voor de vragen: welke materialen passen we toe, wat kunnen we met de bermen, hoe is het gedrag van de weggebruikers en wat kunnen die hierin betekenen. Uiteindelijk kom je ook uit bij de omgeving, waar bijvoorbeeld de supermarkt staat, en hoe die invloed kan hebben op het gebruik van die weg.”

“Toch anticiperen we in het algemeen nog veel te weinig op de enorme metamorfose die we de komende twintig jaar zullen krijgen in het automobielgebruik, de riolering en het wegennet,” vult Teus aan. “Neem nu die portalen boven de weg. Daar kunnen we straks smileys op zetten, want die auto’s weten dan zelf wel waar en hoe hard ze mogen rijden. Rijkswaterstaat zegt dan: allemaal leuk en aardig, maar onze opgave is om ervoor te zorgen dat de komende vijftien tot twintig jaar de automobilisten van a naar b kunnen.” Kortom, de langetermijnvisie ontbreekt.

In de moderne tijd is een innovatie niet voor jezelf te houden

“Helaas zien veel bedrijven kennis als een closed loop”, zegt Meijdam. “Maar de komende twintig jaar zullen de winnaars de bedrijven zijn die kennis beschouwen als een open source instituut. Behalve door competitie, kunnen we het bedrijfsleven sterker maken door elkaars innovaties in te zetten en die verder brengen door daar weer eigen innovaties aan toe te voegen. Hierbij komt het besef dat in de moderne tijd een innovatie nooit voor jezelf valt te houden.” Kennis delen dus. Het Asfaltkenniscentrum, dat met twaalf aandeelhouders met een open houding alle aanwezige kennis deelt, vindt Teus de Wit hier exemplarisch voor. “Samenwerken is gewoon nodig. Heel simpel, ik kan geen kilo rubberasfalt verkopen in Friesland, omdat mijn achternaam niet op een a eindigt. Daar heb ik mijn collega Jansma voor nodig.” Gelach aan tafel. “Nou, zo werkt het toch!” Ja. Er wordt eensgezind geknikt.

Terug naar de vraag: hoe kunnen we ervoor zorgen dat die jonge mensen bij de branche betrokken raken?

“Het is raar…”, filosofeert De Wit, “…het Lego is bijna niet aan te slepen voor de kleinkinderen. Ze willen bouwen, bouwen. Maar als ze dan een jaar of zestien zijn, dan is het helemaal afgelopen. Hoe kan dat toch?”

“Dat komt doordat we jarenlang aan onze kinderen hebben verkondigd dat je alleen meetelt als je een universitaire opleiding doet”, meent Henry Meijdam. “Het kost tijd om dat te veranderen. Trots in het ambacht moet een plek krijgen op de nationale agenda. Bij innovaties en de hoogwaardige technische oplossingen moet je uiteraard ook de techniek als trigger laten werken. Maar als het gaat om de arbeid die moet worden verricht, geldt dat elk mens in zijn leven op zoek is naar respect voor datgene wat hij doet. Ook hier. Als wij in onze samenleving het idee uitdragen dat je pas meetelt als je een intellectueel beroep uitoefent, dan biedt dat niet het klimaat waarin mensen snel geneigd zullen zijn een handvaardiger vak te kiezen.” Annemieke Nijhof voegt daar nog een element aan toe, namelijk welke meerwaarde een leerbedrijf kan bieden. “Ik ben me er gaandeweg steeds meer van bewust geworden wat een fantastisch leerbedrijf je bent, als je het meester-gezel model hanteert.” Bij Tauw is zij haar werkzame leven begonnen met drie senioren om zich heen die haar in alles meenamen. “Ervaren medewerkers en talentvolle junioren met elkaar verbinden, is bouwen aan een toekomstwaarde. Daarnaast moeten we jonge mensen in de arbeidsmarkt meegeven dat we met elkaar in een organisatie ook een sociaal systeem vormen. Door niet alleen te kijken naar wat iemand onderaan de streep oplevert, maar daarin ook de belevingswaarde en een toekomstwaarde van mensen te laten meewegen. Bij de infrastructuur die we aanleggen voor meerdere generaties, hoort het nadenken over investeren in mensen over een langere termijn.” Volgens Teus de Wit schuilt hierin een gezamenlijke verantwoordelijkheid. “En wat dat betreft krijgen we onze opdrachtgevers nog slecht op gang. Het zijn over het algemeen nog steeds de prijskopers. En die realiseren zich amper dat we ook moeten kunnen investeren in onze mensen. Maar ook bij het onderwijs liggen verbeterpunten. Vooral vmbo en mbo zijn moeilijk benaderbaar door de bedrijven.”

Henry Meijdam deelt deze ervaring. Hij vertelt hoe de taal van een bedrijf verschilt van die van het onderwijs. “Toen ik begon met de opleidingsbedrijven heb ik anderhalf jaar in een volstrekte gespreksverwarring verkeerd met de voorzitter van de raad van bestuur van een ROC over de vraag “wil je vraaggericht opleiden.” Hij gaf aan de leerlingen ‘vraaggericht’ op te leiden. Maar de mensen die van die school afkwamen, bleken in de praktijk nog lang niet inzetbaar. Uiteindelijke bleek dat de school uitging van de vraag van de leerling, niet het bedrijfsleven. Kortom, er zit een enorme kloof tussen wat  een bedrijf nodig heeft en wat een opleiding fabriceert. Die banden moeten veel nauwer.”

We zitten voor dit gesprek in De Bouwcampus in Delft: een mooi voorbeeld van hoe kennis kan worden gedeeld. Zijn er andere voorbeelden van dergelijke samenwerking binnen de branche?

MacDonalds heeft ook niet maar één hamburgertent neergezet

Volgens Nijhof zijn die er zeker en moeten we ze veel meer uitdragen en kopiëren “MacDonalds heeft ook niet maar één hamburgertent neergezet, toch. Dat waren er meteen een heleboel.” “Een van die goede voorbeelden is de provincie Overijssel”, vervolgt zij. “De wens was daar om voor de langere termijn een vitale arbeidsmarkt in de techniek te realiseren. Met de provincie, de ingenieurssector en de bouwbedrijven is een gezamenlijk trainingsprogramma opgezet. Zij zijn mensen gaan aantrekken uit de regionale opleidingsinstituten en hebben die laten rouleren in de verschillende bedrijven. Zo wordt zichtbaar op hoeveel manieren je bezig kunt zijn met bouw en infra vanuit de verschillende disciplines en leer je elkaar ook beter begrijpen.”

De Wit: “Het gaat nog vaak mis op de grens van de verschillende technieken. Het bekende verhaal, dat de installateur en de bouwer niet voldoende met elkaar hebben gecommuniceerd. Eigenlijk moet alles wat binnen de hekken van een bouwplaats gebeurt op een plek worden geboren, op een plek worden opgeleid en op een plek met elkaar communiceren. Het gaat al een stuk beter, daar ben ik van overtuigd. Maar er is nog heel veel te winnen! Er moet eigenlijk nog een hele generatie met pensioen gaan voordat het echt verandert.”

 

Ook infraTech 2017 is zo’n moment dat we met elkaar die kennis weer gaan delen en uitdragen. De vraag blijft: hoe gaan we mensen nu echt warm maken voor de infrasector?

“Het begint altijd met een gedeeld gevoel van urgentie”, zegt Meijdam. “De bestaande infrastructuur veroudert in een hoog tempo en moet worden vervangen. En voor de economische ontwikkeling op de lange termijn is de realisatie van nieuwe infrastructuur van groot belang. Vanuit de urgentie van het maatschappelijke vraagstuk, kun je mensen motiveren. Bijvoorbeeld om meer partnerschap tussen bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen te creëren.” 

Nijhof vult aan: “En daarbij ook een positieve boodschap uitstralen. Welke positieve boodschappen kunnen we consequent koppelen aan de sector en op welke manier?”

De Wit: “Op de kookscholen loopt het momenteel helemaal vol met leerlingen. Zo groot is het effect van een programma als Heel Holland bakt. Het gaat erom hoe je jongeren interesseert. Dat doe je niet met het neerleggen van een hoop zand en een schep op een open da maar door ze te laten spelen met machines en virtual reality. Computerspellen als Minecraft kunnen hieraan ook bijdragen. En even out of te box. Waarom maken we niet een programma: Heel Holland bouwt aan de weg!”


Rondetafelgesprekken InfraTech

In het kader van InfraTech 2017 en het thema Slim Verbinden, worden drie rondetafelgesprekken georganiseerd. Het eerste vond plaats in De Bouwcampus in Delft en had als uitgangspunt opleiden en (ver)binden van mensen. Het tweede rondetafelgesprek, dat in december zal plaatsvinden, gaat in op het verbinden en het samenwerken in projecten, de toekomstvisie en de techniek.

Een verslag hiervan zal worden gepubliceerd in Cobouw Magazine van 11 januari 2017. Het laatste rondetafelgesprek zal plaatsvinden op 19 januari 2017 tijdens InfraTech op de stand van Cobouw Café. Het thema van dit gesprek slim is verbinden op gebied van de politiek en financiering.


Dit artikel verscheen in de Cobouw special Infra.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels