nieuws

Is de Nederlandse bouwvakker een Aleksej Stachanov?

bouwbreed Premium

Is de Nederlandse bouwvakker een Aleksej Stachanov?

Zevenduizend vaste banen erbij in 2016, voorspelde het UWV gisteren in deze krant. Maar de Arbeidsmarktprognose van de uitkeringsinstantie liet nog iets anders opvallends zien: in 2015 was de gemiddelde medewerker in de bouw bijna 11 procent productiever dan een jaar eerder.

Het staat er echt: 11 procent productiever! Hoe komt het UWV bij zulke getallen? Is de zweep er vorig jaar opeens overgegaan op de bouwplaats? Laten we de cijfers eens nader bekijken. De bouwproductie is de afgelopen twee jaar flink toegenomen: in 2014 met 3,2 procent en in 2015 met 9 procent. Normaal gesproken gaan zulke groeicijfers gepaard met meer vraag naar bouwpersoneel. Dat is echter niet terug te zien in de UWV-cijfers. Sterker nog, het aantal (voltijd)banen in de bouw is in beide jaren afgenomen. In 2014 groeide alleen het aantal banen van zelfstandigen, maar het aantal banen van werknemers kromp. Een groei van de productie en tegelijkertijd een afname van het aantal voltijdbanen betekent dat de productie per voltijdbaan flink moet toenemen. In 2015 ging het om die reden om een stijging van bijna 11 procent.

Laat dat cijfer eens op u inwerken. 11 procent meer productie. Per werknemer. Dat zijn cijfers die doen denken aan de betere jaren van modelarbeider Aleksej Stachanov in de Sovjet Unie. Zijn bouwvakkers vorig jaar echt zoveel harder gaan werken of is er iets anders aan de hand?

Het UWV zelf vermoedt het laatste. Ze wijst op de overcapaciteit bij veel bouwbedrijven. Veel bedrijven hebben die juist toen de bouw weer aantrok als eerste benut.

En dan is er wat ook wel de flexibele schil heet: een heel leger aan uitzendkrachten dat er in slechte tijden als eerste uitvliegt en nu het beter gaat weer wordt ingevlogen. Veel bouwbedrijven wachten af hoe de vraag zich ontwikkelt, voordat ze personeel direct in dienst nemen. In de tussentijd maken deze bedrijven gebruik van uitzendkrachten.

Een aanwijzing voor de toegenomen inzet van uitzendkrachten ziet het UWV in de toename van het aantal uitzenduren in het technische segment (waaronder de bouw) in 2015 met 21 procent ten opzichte van dezelfde periode in 2014.

Overigens is het inzetten van meer uitzendkrachten in de bouw niet zichtbaar in de cijfers van het CBS. Uitzendwerk wordt namelijk geturfd in de sector uitzendbedrijven en niet in de sector waar de uitzendkrachten daadwerkelijk werken. Sectorale werkgelegenheidscijfers worden daardoor vertekend.

Het UWV ziet het belang van uitzendwerk in de bouw wel degelijk toenemen in de WW-cijfers. Werklozen in de WW met een bouwberoep gaan namelijk steeds vaker met een uitzendcontract aan het werk. Het is niet bekend of deze mensen echt terugkeren in de bouw, maar het heeft er alle schijn van.

Van het aantal werkloze bouwarbeiders dat opnieuw werk vindt, gaat maar liefst 60 procent aan de slag als uitzendkracht. Dat percentage lag in 2012 nog bijna 10 procentpunt lager. Uitzendwerk voor bouwpersoneel neemt dus een hoge vlucht. Bij werklozen in de WW met een ander beroep is er ook een toename van uitzendwerk te zien, maar niet met zulke hoge percentages.

De uitzendsector profiteert dus – als conjunctuurgevoelige sector – het meest van het economisch herstel. En het zijn dus de uitzendkrachten die maken dat Nederlandse bouwvakkers met een vaste baan op papier zo productief waren in 2015. Net als in de tijden van het communisme dus, die productiviteitscijfers: te mooi om waar te kunnen zijn.

Reageer op dit artikel