nieuws

Tijd dringt voor nieuw klimaatverdrag

bouwbreed

Tijd dringt voor nieuw klimaatverdrag

Onderhandelaars hebben nog tot december de tijd om in Parijs een bindend klimaatverdrag af te sluiten. Dat is weinig tijd, ook al omdat tot nu toe er nauwelijks schot in de zaak zit. Dat is opmerkelijk nu recentelijk de Haagse rechtbank de overheid op het vestje heeft gespuugd over haar zorgplicht richting burgers. Ferry Heijbrock

Komende week reist milieu-staatssecretaris Wilma Mansveld weer af naar een Informele Milieuraad. Prominent staat daar het onderwerp klimaatverandering op het programma. Nog een paar maanden en in Parijs start de 21ste Conferentie van Partijen bij het Kyoto Protocol, kortweg COP21. Daar zullen eindelijk knopen moeten worden doorgehakt over een bindend klimaatverdrag dat dusdanige doelstellingen formuleert dat de klimaatverandering beperkt blijft tot maximaal 2 graden Celsius.

Zoals gebruikelijk wordt de Tweede Kamer dan geïnformeerd over wat er besproken wordt in een geannoteerde Agenda. Een lezenswaardig stuk, zowel vanwege wat er wel in staat als om wat er niet in staat. Zo blijkt het knelpunt in de lopende onderhandelingen vooral te liggen in het verschil dat gemaakt wordt tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden. Dat onderscheid is in het Kyoto Protocol strikt vastgelegd. In 2009 is er in Kopenhagen gebruik van gemaakt vanwege de financieringsbehoefte van ontwikkelingslanden. Ontwikkelde landen zouden vanaf 2020 100 miljard dollar per jaar bijdragen aan de klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden. Over de verdeling van de bijdragen wordt nu nog steeds gesteggeld. En ook waaraan die landen het mogen uitgeven, is punt van discussie.

Een ambtelijke onderhandelingsronde, begin juni in Bonn, heeft niet opgeleverd wat werd gehoopt, een ingekorte tekst met duidelijke opties waarover op inhoud onderhandeld kan worden. Mansveld verwacht niet dat dit opgelost wordt voor ‘Parijs’. Ook ziet zij geen langetermijndoelstelling meer komen voor COP21 die 30 november dit jaar start. Haar conclusie dat het tempo van onderhandelingen sterk omhoog zal moeten, is dan ook een waarheid als een koe.

Mansveld laat de Kamer weten dat Parijs “een internationaal klimaatregime [moet] opleveren dat landen in staat stelt naar vermogen bij te dragen aan de oplossingen van het klimaatprobleem”. Verder dan als stip op de horizon klimaatneutraliteit gaat zij echter niet.

Dit is des te opmerkelijker nu op 24 juni de Haagse rechter heeft gezegd dat de uitstoot van broeikasgassen met ministens 25 procent moet worden gereduceerd per 2020. Die 25 procent is ongeveer wat Nederland in 2030 als haalbaar doel ziet.

Ook over de zorgplicht van de overheid, die er volgens de rechter in zijn 58 pagina’s tellende uitspraak zeker is, geen woord. In plaats daarvan lijkt het er meer op dat Mansveld hoopt op actie vanuit de private sector. Want volgens haar moet de uitkomst van Parijs ook een mechanisme bevatten waarmee partijen periodiek hun ambitie naar vermogen verhogen en die investeringen in alle landen stimuleren, “ook door de private sector”.

Kortom de weg naar Parijs is geplaveid met weinig concrete voornemens. De onzekerheden over de uitkomsten blijven groot. En dat blijft verbazen. Want in de rechtszaak van Urgenda heeft de Staat der Nederlanden de feiten over klimaatverandering niet betwist. Voor de rechter speelde dat een belangrijke rol. Nu het kabinet nog.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels