nieuws

Bestaand gebied grootste opgave

bouwbreed Premium

Bestaand gebied grootste opgave

Voor gebieden is het lastiger om harde duurzaamheidsnormen te maken dan voor gebouwkwaliteit. Veel factoren die een rol spelen zijn moeilijk uit te drukken in een getal.

Niet iedereen zal de verschillende kwaliteiten van een gebied ook gelijk waarderen. Maar dat is geenszins reden om van normen af te zien, meent zowel Jos van Eldonk als Martin Mooij van de Dutch Green Building Council (DGBC). “Ze zijn sowieso nuttig als uitgangspunt.” De voetballende jongens op de foto op de voorpagina illustreren goed de dilemma’s bij het formuleren van gebiedsnormen. Het objectief benoemen van diverse duurzaamheidskwaliteiten blijkt moeilijk. Dat kinderen rond de woning buiten kunnen spelen, scoort positief op meerdere fronten: voorzieningen in de buurt, gezondheid en woongenot. Maar een gezin met jonge kinderen zal het hoger waarderen dan een bewoner die zich stoort aan ballen tegen de auto of in bloemperken.

De één wil zoveel mogelijk rust, de ander houdt van de reuring. De appreciatie van verschillende kwaliteiten is deels individueel gekleurd. Daarom hoort bij gebiedsbeoordelingen een verhaal, onderkent Mooij, hoofd Certificering en Beheer bij de DGBC. “Bij gebouwen kun je refereren aan wettelijke eisen. Die zijn een minimum en met Breeam-NL zet je daar een aantal niveaus bovenop. Bij gebieden zullen de maatstaven meer procesgericht zijn. Het gaat erom dat je aandacht schenkt aan de verschillende elementen, ze onderzoekt en probeert te optimaliseren. Je brengt zowel de opgave in beeld als uiteindelijk het behaalde resultaat.” Normen zijn volgens deze gedachte een goed richtsnoer, ook al zijn ze niet in beton te gieten.

Mikken op duurzaamheid van zowel gebouwen als gebieden in de volle breedte is in de ogen van de architect en de DGBC-medewerker nodig, omdat de diverse kwaliteiten op zichzelf waarde hebben, maar ook een samenhangend geheel vormen. “Als je volledig focust op één aspect, bijvoorbeeld de energieprestatie van een gebouw, zul je zelfs daarop waarschijnlijk geen optimaal resultaat behalen. Zo zijn er in het verleden woningen gebouwd die in potentie heel zuinig waren, maar dat in de praktijk toch niet bleken te zijn. Als je bijvoorbeeld bewoners in een keurslijf dwingt waarin ze zich niet prettig voelen, bereik je je doel niet.”

Door de jaren heen werden reeds verschillende richtlijnen voor duurzame gebiedsontwikkeling gelanceerd, met meer en minder vergaande visies. Zo werd eind jaren negentig het Nationaal Pakket Duurzame Stedenbouw ontwikkeld, als onderdeel van het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen. Het Vinex-beleid bevatte ook gebiedsgerichte duurzaamheidsdoelen.

De eerste Breeam-NL-norm voor duurzame gebiedsontwikkeling zag in 2012 het licht. Deze is op de eerste plaats voor nieuwe gebieden. Inmiddels wordt gewerkt aan een apart label dat meer geschikt is voor woningbouw. Verder gaat voor een nieuwe versie van Breeam-NL Gebied de aandacht nadrukkelijker uit naar bestaande gebieden. Mooij: “Daar ligt de grootste opgave. Sowieso is benutting van bestaande locaties duurzamer dan het volbouwen van nieuwe.”

Belangrijkste elementen voor ontwikkeling van energieneutrale gebieden

Algemene gebiedskwaliteit

Het voorzieningenniveau en de kwaliteit van de openbare ruimte zijn belangrijk. Zoveel mogelijk bestemmingen zijn lopend of met de fiets te bereiken. De aanwezigheid van groen heeft een positieve invloed op het algemeen welbevinden. Ook de wijdere omgeving telt. Zo lokt Havenbedrijf Rotterdam Rotterdammers het havengebied in door goede fietspaden aan te leggen en te zorgen voor groen. Dat brengt voor Rotterdammers een rondje Nieuwe Waterweg binnen bereik.

Microklimaat

Dit ligt in het verlengde van het voorgaande. Wind, zon, schaduw, geluid: in de stedenbouw zijn het vaak onderschatte factoren. De effecten van solitaire hoogbouw op straatniveau zijn in het winderige Nederland ruimschoots gesignaleerd. Pas vrij recent worden structureel eisen gesteld aan de windeffecten van hoogbouw, waarbij het belang van de mensen het overigens lang niet altijd wint. Ook lagere gebouwen kunnen als windvangers onprettige effecten hebben. “Er gaan op dit gebied veel dingen mis”, constateert architect Jos van Eldonk. “Door in de stedenbouwkundige fase beter na te denken over de mogelijke effecten, is een hoop ellende te voorkomen.”

Menging en verdichting

Functiescheiding heeft gebieden in toenemende mate monofunctioneel gemaakt. De opdracht is voortaan: menging. Dus wonen op bedrijventerreinen waar dit gemakkelijk kan en meer bedrijvigheid naar de wijken. Stedelijke verdichting helpt ook. Veel architecten en stedenbouwers kijken verlekkerd naar Barcelona. Daar zijn straten met tien tot vijftien verdiepingen hoge bebouwing. Hierdoor wonen veel mensen op een relatief klein oppervlak. Dat leidt tot een enorm draagvlak voor voorzieningen. De stad illustreert met haar pleinen en parken tevens dat een hoge stedelijke dichtheid niet ten koste hoeft te gaan van de kwaliteit van de openbare ruimte.

Duurzame energie

Zonnepanelen, wko-installaties, smart grids oftewel ‘slimme’ elektriciteitnetwerken, een heel scala van installatietechnische werken is gebaat bij een gebiedsgerichte aanpak. De installaties en het gebruik ervan op elkaar afstemmen, verhoogt de effectiviteit. Ook nemen bijvoorbeeld de mogelijkheden toe om zonnepanelen te plaatsen op de hiervoor meest geschikte daken.

Materialen

Op gebouwniveau is het belang van materialen duidelijk. Hergebruik van een gebouw in zijn geheel, in delen of als grondstof voor nieuwe materialen is nuttig uit het oogpunt van grondstoffen en energie. Van Eldonk en Martin Mooij zien mogelijkheden om via de huidige en nog te ontwikkelen Breeam-normen het materiaalgebruik ook voor gebieden te beoordelen. Aanhaken bij bestaande structuren op het maaiveld, daarboven en in de ondergrond helpt, weten ze.

Verkeer

Dat mensen zich moeten verplaatsen is logisch. Hoe dat gebeurt en in welke mate, hangt af van de omstandigheden. Daarop valt te sturen. Breeam-NL Gebied bevat hiervoor al een aantal aanknopingspunten. Zo dienen de vervoersbehoeften gebiedsgericht te worden geanalyseerd. Onder meer om te voorkomen dat omliggende transportnetwerken overmatig worden belast. Zaken die ook scoren zijn de beschikbaarheid van openbaar vervoer en fietsvoorzieningen. De waardering daarvoor groeit evenredig met de kwaliteit ervan. Locatiekeuzes hebben veel invloed op de aard en omvang van de vervoersbehoefte. Bestaand stedelijk gebied krijgt een streepje voor op uitleglocaties vanwege de reeds beschikbare infrastructuur en de doorgaans beperktere vervoersvraag van de gebruikers. Vervoer is op zichzelf niet negatief, onderstreept Mooij. “Mensen reizen en hun blikveld wordt daardoor groter. We moeten stimuleren dat dit op een zo efficiënt en duurzaam mogelijke manier gebeurt.”

Reageer op dit artikel