nieuws

‘Geen methode die alleen achter tekentafel is bedacht’

bouwbreed

‘Geen methode die alleen achter tekentafel is bedacht’

Een breed samengesteld consortium begon een jaar geleden onder de naam TKI-KIEM aan de ontwikkeling van een rekenmethode die de totale milieuprestatie van een gebouw in één indicator zou uitdrukken. Eerder deze maand zijn de eerste testresultaten gepresenteerd en die zijn positief ontvangen.

“We wilden niet een methode die alleen maar achter de tekentafel bedacht is. Daarom hebben we bewust gekozen voor dat brede draagvlak.” Zo verklaart projectleider Erik Alsema van W/E Adviseurs de betrokkenheid van het grote aantal partners bij de ontwikkeling van de DuurzaamheidsPrestatie Gebouwen (DPG). Deze methodiek geeft de totale milieuprestatie van een gebouw in één indicator weer.

Komende maanden volgen nog tests door een groot aantal bouwondernemingen en woningcorporaties op uiteenlopende pilotprojecten. Dat doen zij niet alleen met behulp van de rekenmethode GPR Gebouw, maar bijvoorbeeld ook met GPR Onderhoud en met behulp van Total Cost of Ownership. Daarnaast zal de methode getoetst worden bij een aantal nieuwbouw- en nul-op-de-meterconcepten.

Het Bouwbesluit kent nu nog twee prestatie-indicatoren voor de milieubelasting: de EPG voor het energieverbruik tijdens het gebruik, en de MPG, die de materialeninzet voor het gebouw evalueert. Deze laatste bepalingsmethode werkt op basis van de Levens Cyclus Analyse (LCA) en geeft weer wat de milieu-impact is van de materialen in het gebouw, inclusief winning, productie, constructie, onderhoud, sloop en afvalverwerking.

Beide methoden leveren na berekening elk een indicator op. Die kunnen niet worden gekoppeld, omdat ze met verschillende eenheden werken. Zo is de eenheid in de EPG-methode vierkante meter verwarmd gebruiksoppervlak en bij de MPG vierkante meter bruto vloeroppervlak.

In de bouw- en vastgoedwereld bleek volgens de partijen veel behoefte te bestaan aan een methodiek die de totale levenscyclus van een gebouw beschouwt en de milieuprestaties van materialen en energieverbruik integraal weegt. Daarvoor is nu de DPG ontwikkeld, die nadrukkelijk niet als vervanger is bedoeld van de EPG en de MPG.

Als basis voor de DPG-methode dient de MPG, omdat deze al is gebaseerd op de Levens Cyclus Analyse. Resultaten uit de EPG worden in DPG zo goed mogelijk omgerekend naar zogeheten impactscores. Dat gebeurt voor de belangrijkste energiedragers die de EPG onderscheidt: elektriciteit, aardgas, externe warmte, externe koude en biomassa. Op dit moment zijn alleen voor de drie belangrijkste daarvan impactfactoren vastgesteld, namelijk voor elektriciteit, gas en externe warmte. Essentieel voor toepassing van de methode is volgens Alsema ook een goed gevulde en helder gestructureerde milieudatabase waar alle milieuprofielen van bouwproducten in staan.

Alsema wijst erop dat er met name bij externe warmtelevering, zoals stadsverwarming maar ook uit de bodem, nog wel een ‘paar witte vlekken zijn’. “De omstandigheden kunnen lokaal behoorlijk verschillen, waardoor het lastig is daar één kengetal voor te bepalen. Specifieke warmtenetten vergen nader onderzoek om een juiste impactfactor te kunnen bepalen.”

De onderzoeker verwacht verder dat de DPG-methodiek tot meer productinnovatie zal leiden. “De fabrikanten en toeleveranciers kunnen straks beter zien wat de prestaties van hun producten in de context van het gebouw zijn, omdat ze op een eenduidige manier kunnen worden vergeleken.”

Partners in TKI-KIEM

Onderzoek:TU Delft faculteit Bouwkunde, W/E Adviseurs, SBK, IMd Raadgevende IngenieursBouwproductenindustrie en brancheorganisaties:Saint-Gobain/Raab Karcher, Rockwool, CRH Europe-Sustainable Concrete Centre, Bouwen met Staal, BFBN, NVTB, OnderhoudNL, BNA, AedesCorporaties:Portaal, De Alliantie, Ymere, GroenWest, Rochdale, Woonbron, Provides, WonenBreburgBouw- en onderhoudsbedrijven:Heijmans, Rutges Vernieuwt, Talen, Hagemans, Smits, Hurks, Willems, Burgers van der Wal, Vastbouw, Van Wijk, Weijman W/E Adviseurs is penvoerder en coördinator van het project. Een klankbordgroep helpt het draagvlak te borgen. Leden zijn onder andere het ministerie van Binnenlandse Zaken, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Bouwend Nederland en de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht. TKI-KIEM wordt mede gefinancierd vanuit TKI-EnerGO, de Topsector Energie en Gebouwde Omgeving.

Branches praten voor het eerst samen over productprestaties

Behalve een nieuwe rekenmethodiek voor de duurzaamheid van gebouwen, DPG, heeft het TKI-KIEM project nog een ander succes geboekt. De vertegenwoordigers van de beton-, staal- en houtbranche melden opgewekt dat zij voor het eerst samen aan tafel hebben gezeten om aan het thema energie- en milieuprestatie te werken.

Uitkomst is het zogeheten BHH-model (Bepaling Hoeveelheden Hoofddraagconstructies) waarmee al in een vroeg stadium van het ontwerp een schatting kan worden gemaakt van de benodigde hoeveelheden materiaal voor de hoofddraagconstructie van een gebouw. Het model is ontwikkeld door IMd Raadgevende Ingenieurs en gekoppeld aan de Nationale Milieudatabase. Het BHH-model komt beschikbaar in de vorm van rekenregels en keuzetabellen en kan worden ingebouwd in instrumenten als GPR Gebouw.Aan de basis van zo’n model staat dat de milieudata betrouwbaar en valide zijn. “Dus hebben we met z’n allen goed gekeken hoe onze producten in de Nationale Milieudatabase staan en of het allemaal klopt”, zegt projectleider Mic Barendsz van Bouwen met Staal. Door de beperkte scope van het BHH-model (namelijk de hoofddraagconstructie) is het echter nog niet mogelijk producten te vergelijken. Daarvoor moet namelijk integraler worden gekeken naar de prestaties van constructie-elementen.

Stammenstrijd

Volgens Barendsz zal de stammenstrijd met deze breed gedragen methode niet helemaal over zijn, maar hij denkt dat de concurrenten ook veel van elkaar kunnen leren. Bijvoorbeeld over de manier waarop de Milieudatabase het meest effectief kan worden gevuld met productgegevens. “De productkaarten bieden veel meer mogelijkheden dan de branches dachten voor bijvoorbeeld verschaling en productvariaties, waardoor we niet voor elk producttype een andere productkaart hoeven te maken.”“Heel interessant”, noemt hij ook de contacten met partijen waarmee geen vanzelfsprekende band is, zoals corporaties en onderhoudsbedrijven. “Je hoort dan bijvoorbeeld op welke gronden ze bepaalde beslissingen nemen. Daar kun je op inspelen.”

Reageer op dit artikel