nieuws

Beschermd stadsgezicht bron discussie

bouwbreed

Duizenden woningen werden de afgelopen vijf decennia opgeknapt vanwege hun monumentale waarde. Het ging daarbij veelal om beschermde stads- en dorpsgezichten. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bracht de pro’s en contra’s van dit instrument uit de monumentenzorg in kaart in het rapport ‘Bekende gezichten, gemengde gevoelens. Beschermde stads- en dorpsgezichten in historisch perspectief’.

Nederland telt ongeveer vierhonderd beschermde stads- en dorpsgezichten. De definitie ervan is ruim bemeten. Het gaat om onder meer straten, pleinen en grachten die in hun geheel, dus compleet met bomen, bruggen en water behouden moeten blijven. In ambtelijke taal gaat het erom zulke gebieden “voor ontsiering te behoeden, wanneer zulk een complex door zijn bijzondere sfeer voor schoonheid van stad of dorp van belang is”. Die formulering heeft in de loop der jaren tot veel discussies geleid. Want wanneer is een gebied genoeg de moeite waard om bescherming te genieten? En als die beschermde status er eenmaal is, mag er dan nog iets aan worden veranderd?

Dergelijke vragen rezen al bij de introductie van het fenomeen beschermd stads- of dorpsgezicht in 1961. Al luidde het antwoord op de laatste vraag dat aanpassingen mogelijk zijn, de discussies waren daarmee nog lang niet beëindigd.

Na de Tweede Wereldoorlog lagen veel historische centra er verwaarloosd bij. Met als gevolg dat de bewoners op grote schaal wegtrokken naar nieuwbouwwijken. Het stadsvernieuwingsproces dat vervolgens op gang kwam, leidde ertoe dat veel bijzondere bouwwerken werden gesloopt. De gemoederen kwamen hierdoor in beweging. Dat temperde niet alleen de slooplust van een aantal gemeentebestuurders, maar zorgde er ook voor dat bij stedenbouwkundige inpassingsplannen meer rekening werd gehouden met de bestaande stad. Zo gingen de architecten Aldo van Eyck en Theo Bosch in de jaren zeventig in Zwolle aan de slag waarbij ze in hun nieuwbouwplannen keken naar onder meer de historisch ruimtelijke structuur en de bestaande bebouwing in de binnenstad. Ze hanteerden daarbij het motto ‘aanpassing en verrijking in plaats van aantasting en schending’. Die manier van werken werd onder meer ook toegepast in Nijmegen bij de stadsvernieuwing van de benedenstad. Hij sloot aan bij de waarschuwing van twee medewerkers van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Zij wezen erop dat bescherming van stadsgezichten niet moest leiden tot het nadrukkelijk willen bewaren van stukken stad. “Tot het wezen van de stad behoort de aanpassing aan nieuwe inzichten en ontwikkelingen”, betoogden zij. “Het willen bewaren van stukken stad is a-historisch en het bewaren van alleen uiterlijkheden is ronduit bizar.” Zienswijzen zoals deze leidden tot een geleidelijke aanpassing van het beleid. Het huidige overheidsbeleid is dan ook niet meer puur gericht op het behoud van stads- en dorpsgezichten. Belangrijke ontwikkelingen zoals de mogelijkheden tot herbestemming en plaatsing op de werelderfgoedlijst krijgen momenteel de volle aandacht. Toch is de discussie nog niet verstomd, zo blijkt uit het rapport. Het College van Rijksadviseurs bijvoorbeeld oordeelde dat het begrip beschermd stads- en dorpsgezicht opnieuw moet worden aangepast. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is echter niet van plan het huidige beleid te veranderen. Pas na 2015 wordt het regeringsbeleid geëvalueerd en mogelijk opnieuw aangepast.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels