nieuws

Betalen aan een failliete aannemer

bouwbreed

Een aannemer gaat na oplevering van een project failliet, waarna zijn opdrachtgever weigert een rekening te betalen. Dat spreekt echter niet vanzelf, zo blijkt nadat de curator naar de Raad van Arbitrage stapt.

Het project betreft vervangende nieuwbouw voor een zorginstelling, ter waarde van ruim 2,5 miljoen euro. Twee maanden na oplevering gaat de aannemer failliet. Kort daarvoor heeft hij een onderhoudstermijnfactuur van ruim 59.000 euro ingediend bij de opdrachtgever. Die wil pas betalen als de curator een aantal opleverpunten laat herstellen. Dat kan, vindt de curator, maar pas nadat de factuur betaald is. Ok, vindt op zijn beurt de opdrachtgever, op voorwaarde dat de curator hem bijna 59.000 euro vergoedt voor herstel van gebreken die pas in de onderhoudsperiode naar voren kwamen. De curator beëindigt dit spelletje pingpongen en legt de zaak voor aan de RvA. Hij wil de onderhoudstermijnfactuur betaald zien. Verder vordert hij terugbetaling van een bankgarantie van 50.000 euro die de opdrachtgever geïncasseerd heeft.

Dubbelloops verweer

De opdrachtgever verweert zich op twee manieren. Om te beginnen stelt hij dat de curator op grond van artikel 37 Faillissementswet niets meer te vorderen heeft. Als dat geen soelaas biedt, wil hij zijn schade vergoed zien: de herstelkosten van de (nog niet herstelde en de herstelde) gebreken én de schade die hij lijdt omdat de garanties die de aannemer heeft afgegeven door het faillissement waardeloos zijn geworden.

De arbiters buigen zich eerst over het beroep op de Faillissementswet. Kort samengevat concluderen zij dat artikel 37 hier niet van toepassing is. Het werk is al volledig uitgevoerd en de vordering van de opdrachtgever is niet hoger dan die van de curator. De factuur van de onderhoudstermijn moet dus worden betaald. Maar: de opdrachtgever mag wél zijn vorderingen verrekenen.

Vervolgens komt de hoogte van die vorderingen aan de orde. Als eerste de opleveringsgebreken. De curator erkent een bedrag van 1750 euro aan gemaakte herstelkosten. De opdrachtgever vindt dat het meer is, maar kan dat niet onderbouwen. Gezien de gestelde gebreken vinden ook de arbiters 1750 euro een redelijk bedrag.

Dan zijn de gebreken aan de beurt die n a de oplevering, in de onderhoudsperiode, zouden zijn opgemerkt. Een achttal punten passeert de revue. De details voeren hier te ver. De arbiters erkennen slechts twee van de gebreken en vinden bovendien de geclaimde herstelkosten bovenmatig. Ook een vordering van extra directiekosten vanwege het faillissement kennen ze niet toe.

Een l aatste punt betreft de waarde van de garanties die de aannemer heeft afgegeven. De opdrachtgever stelt die op ruim 125.000 euro (5% van de aanneemsom). Dat vinden de arbiters te hoog. Maar in tegenstelling tot de curator stellen ze dat de misgelopen garanties wel degelijk in het faillissement verrekend mogen worden. Na enig denk- en rekenwerk komen ze op een bedrag van ruim 21.000 euro.

Ook na verrekening van de toegekende bedragen moet de opdrachtgever nog ruim 35.000 euro aan de curator voldoen. Omdat hij daarmee per saldo nog een bedrag schuldig was, heeft hij de bankgarantie onterecht ingeroepen. De curator kan dus in totaal ruim 85.000 euro tegemoet zien. Bovendien moet de opdrachtgever de curator twee derde van de arbitragekosten en een deel van diens rechtsbijstand vergoeden.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels