nieuws

Vervaltermijnen: te laat of niet te laat

bouwbreed

Wie een aannemer ná de vervaltermijn met succes aansprakelijk wil stellen voor gebreken, moet van zeer goeden huize komen. In dit geschil voor de Raad van Arbitrage haalt de opdrachtgever van alles uit de kast. Tevergeefs, oordeelt de arbiter: te laat is in dit geval echt te laat.

De vrijstaande villa met garage waar het hier om gaat, is al opgeleverd op 15 juli 2002. Kort daarop heeft de aannemer enkele lekkages verholpen. De opdrachtgever constateert in de jaren daarna toch nog vochtproblemen. Uiteindelijk stelt hij de aannemer aansprakelijk voor lekkageschade als gevolg van constructiefouten aan het dak. Dat doet hij echter pas in april 2011, terwijl hij uiteindelijk op 15 november 2012 een rechtsvordering instelt. Daarin stelt hij dat de dakconstructie niet deugt, dat er nooit fatsoenlijk hersteld is en dat nu het hele dak moet worden vervangen. De aannemer beroept zich op het verstrijken van de vervaltermijnen.

In de tussenliggende jaren is er wel wat gesteggeld over vochtproblemen rondom het dakoverstek. Bij een melding in april 2009 heeft de aannemer overigens al bericht dat de garantietermijnen verstreken waren. Maar pas in 2011 laat de opdrachtgever een andere aannemer onderzoek doen naar de vochtklachten. Die vindt dat de ventilatie in de kap en de overstekken verbeterd moet worden. Hij schat de kosten daarvan, afhankelijk van de mate van herstel, tussen de 15.000 en de 55.000 euro.

Hoe zit het nu eigenlijk met de vervaltermijnen? Volgens de aannemingsovereenkomst zijn onder andere de UAV 1989 en de AVA 1992 van toepassing. De opdrachtgever zegt dat hij die niet heeft gekregen en dat ze daarom niet van toepassing zijn. Maar de arbiter stelt vast dat dit alleen klopt voor wat betreft de AVA 1992. De stukken van de architect van de opdrachtgever zelf verklaren echter expliciet de UAV 1989 van toepassing . Die gelden dus: de aannemer is na oplevering of het verstrijken van een onderhoudstermijn niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk.

Uitzonderingen

Daar zijn maar twee uitzonderingen op met elk een eigen vervaltermijn. De eerste is de termijn van vijf jaar na de onderhoudsperiode bij de aanwezigheid van een verborgen gebrek. In dit geval had de opdrachtgever dan uiterlijk voor 12 oktober 2007 zijn vordering moeten instellen. Hij is dus veel te laat. De andere uitzondering is een termijn van tien jaar. Die geldt echter alleen als het gebouw geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek. Daarvan is volgens de arbiter geen sprake.

Daarmee delft de opdrachtgever het onderspit. Ook zijn andere argumenten (de vervaltermijn ging pas lopen toen in 2011 een vordering ontstond; de aannemer had de problemen moeten voorzien; er is van de tekeningen afgeweken; de aannemer zou niet ter goeder trouw zijn; er is tien jaar garantie op het materiaal) vinden in de ogen van de arbiter geen genade. De vorderingen worden afgewezen en de proceskosten zijn voor de opdrachtgever.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels