nieuws

‘Kennis oude documenten onmisbaar voor restauratie’

bouwbreed Premium

Het lezen van bouwcontracten en bestekken uit vervlogen eeuwen is lastig. Desondanks nam bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek 250 van dergelijke documenten onder de loep.

In de monumentale hal van De Bazel, het voormalige hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelsmaatschappij in Amsterdam, neemt Gabri van Tussenbroek plaats achter een tafel. Het gebouw waar Van Tussenbroek werkzaam is als bouwhistoricus, herbergt onder meer het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam. Voor hem ligt het boek dat hij begin dit jaar na vijftien jaar onderzoek publiceerde, een ware bijbel op het gebied van Nederlandse bouwcontracten en bestekken uit de late middeleeuwen tot en met de eerste helft van de 17de eeuw. En van groot belang voor de restauratiesector, want de documenten vormen een bron van kennis over hoe in het verleden werd gebouwd. Desondanks is er weinig onderzoek naar gedaan. Van Tussenbroek onderzocht daarom 250 bouwcontracten. “Als bouwhistoricus wil je weten hoe een gebouw tot stand is gekomen en dan kun je niet om dit soort documenten heen.” Het belang zit in de details van dit type materiaal (zie kader). Talrijke bestekken en bouwcontracten zijn bewaard gebleven die heden ten dage nog een belangrijke rol kunnen spelen. Dat gebeurt in het bijzonder in het traject dat aan de restauratie van een bouwwerk voorafgaat en waarbij wordt gekeken naar de bouwgeschiedenis van een pand, zegt Van Tussenbroek. “Als je geluk hebt, is het bestek of het bouwcontract bewaard gebleven en kun je met behulp daarvan allerlei details nagaan over onder meer het gebruik van materialen. Die kennis is onmisbaar om beslissingen te nemen over hoe je de restauratie kunt aanpakken. En is bovendien van groot belang als de eigenaar informatie wil hebben over de bijzondere onderdelen ervan. In het kader van een omgevingsvergunning wordt dan ook vaak gevraagd naar een bouwhistorische waardestelling.” Soms komt de onderzoeker echter tot de ontdekking dat bepaalde stukken ontbreken. Dan kan vaak worden teruggevallen op documenten uit een latere periode, zoals gegevens over bestekken van herstelwerkzaamheden. Als voorbeeld noemt Van Tussenbroek de middeleeuwse Schreierstoren in Amsterdam. De oorspronkelijke bestekken zijn verloren gegaan maar op basis van een inspectierapport en een materialenstaat uit 1779, toen de toren werd opgeknapt, kunnen toch nog saillante bijzonderheden worden achterhaald.

Specialistisch

Van Tussenbroek tekent daarbij aan dat het lezen van zulke documenten uiterst specialistisch werk is. “Van een bouw- of architectuurhistoricus mag je weliswaar verwachten dat hij er mee uit de voeten kan, dat neemt niet weg dat het soms een lastige klus is.” Dat komt vooral vanwege het vakjargon. Het boek bevat daarvan uiteenlopende voorbeelden. Zo valt in een bestek uit 1394 over de kapconstructie van het stadhuis in Sluys onder meer de volgende cryptische omschrijving te lezen: “ Capelle te betemmerne beneden met II ghebinden van eenre staedge van III voeten hoghere, dan zoe was te voren, van groten uutdraghende balken met corbeelen ende stantfiken.” Daar komt bij dat handschriften vaak niet helder zijn en dat vaktaal per regio kan verschillen. “In bouwbestekken uit bijvoorbeeld Vlaanderen staan andere woorden dan in vergelijkbare documenten uit het oosten van Nederland. Bouwhistorici hebben daarover soms contact met elkaar. Ik kreeg laatst een mailtje van een collega die op een voor hem onbekend woord stuitte. Hij kwam er niet uit en doordat ik woord toevallig eerder al eens was tegengekomen, kon ik hem helpen.”

Fascinatie

De fascinatie van Van Tussenbroek voor bestekken en bouwcontracten ontstond tijdens zijn studie geschiedenis. In het Streekarchief Bommelerwaard stuitte hij zo’n twintig jaar geleden op oude bestekken van kooien waarin losgebroken vee kon worden opgevangen, zogeheten schutskooien, en raakte geïnteresseerd. “Nadat ik een van die documenten had bestudeerd, kon ik zonder al te veel moeite een schutskooi reconstrueren. Zo is het begonnen”, blikt hij terug.

Daarbij bleef het niet. Van Tussenbroek verdiepte zich verder in bouwhistorie en promoveerde in 2001 op de geschiedenis van het aannemersgeslacht Van Neurenberg. Een familie die zich tussen 1480 en 1640 intensief bezighield met de handel in natuursteen. Tijdens zijn promotie-onderzoek kwam hij bouwcontracten en bestekken tegen waarnaar vrijwel niemand nog omkeek. Van Tussenbroek bestudeerde de documenten wel en ontwikkelde zich in de loop der jaren tot specialist op dit gebied. In die hoedanigheid werkt bij het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam. Daarnaast is hij docent architectuurgeschiedenis en monumentenzorg aan de Universiteit van Utrecht. “Er is veel belangstelling voor het beroep van bouwhistoricus”, constateert hij tevreden, maar de opleiding voor het vak zou beter kunnen. Zeker omdat het belang van restauraties steeds meer wordt erkend. “In Duitsland en België zijn masterstudies voor dit specifieke vakgebied. In Nederland ontbreekt deze tot nog toe en is er geen aparte post-academische opleiding voor bouwhistoricus. Ik zou het dan ook toejuichen als ons land een volledige universitaire master bouwhistorie en restauratieopleiding tot bouwhistoricus zou krijgen. Zo’n studierichting zou zijn nut zeker bewijzen. ”

Details

Boek

Gabri van Tussenbroek ‘Alzo zult gij lieden dat maken’ Gebruik en ontwikkeling van bouwcontracten en bestekken in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden tot 1650.’ Uitg.: Primavera Pers Leiden, ISBN 978-90-5997-159-2

Details

Boek

Gabri van Tussenbroek ‘Alzo zult gij lieden dat maken’ Gebruik en ontwikkeling van bouwcontracten en bestekken in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden tot 1650.’ Uitg.: Primavera Pers Leiden, ISBN 978-90-5997-159-2

Reageer op dit artikel