nieuws

‘Ordineer ik u een bult te maken, dan maak je mij een bult’

bouwbreed

Mario Silvester Het vorstenhuis en de bouwsector zijn met elkaar verweven. De eerste drie Oranje-koningen bemoeiden zich actief met de bedrijfstak. De koninginnen die vervolgens de troon bezetten, waren minder rechtstreeks betrokken bij de branche. Wat onverlet laat dat ook tijdens hun regeerperiode een band met de bouw bleef bestaan.

Eerste drie Oranje-koningen bemoeiden zich actief met bouwsector

1813 Willem I keert terug uit ballingschap en wordt soeverein vorst der Nederlanden.

1815 -1840 Regeerperiode koning Willem I

1819-1824 Aanleg Noordhollandsch Kanaal in opdracht van koning Willem I.

1840 -1849 Regeerperiode koning Willem II.

1842 Problemen met de verbouwing van het koninklijk paleis aan de Haagse Kneuterdijk.

1849-1890 Regeerperiode koning Willem III.

1855 Willem III legt de basis voor de Haagse villawijk Willemspark

1861 Dijkdoorbraak Gelderland, Willem III zet zich in voor bescherming tegen wateroverlast.

1885 Koning Willem III uit zijn onvrede over het ontwerp voor het Rijksmuseum in Amsterdam.

1890-1898 Regeerperiode regentes Emma van Waldeck-Pyrmont, die waarneemt voor haar minderjarige dochter Wilhelmina.

1898-1948 Regeerperiode koningin Wilhelmina.

1901 De Woningwet wordt van kracht.

1904 Ontwerpen voor Vredespaleis in Den Haag geëxposeerd in koninklijk Paleis.

1940-1945 Tweede Wereldoorlog, onder meer Rotterdam, Den Haag en Nijmegen getroffen door bombardementen.

1948-1980 Regeerperiode koningin Juliana. Tijd van de wederopbouw.

1980 De woningnood is groot. Tijdens de abdicatie op 30 april van dat jaar ontstaan heftige krakersrellen onder het motto ´Geen woning, geen kroning´.

1980-2013 Regeerperiode koningin Beatrix.

Eerste drie Oranje-koningen bemoeiden zich actief met bouwsector

D en Haag 1842. Nachtenlang deed aannemer J.E. Ellinkhuizen geen oog dicht. Debet aan zijn slapeloosheid waren de wensen des konings aangaande de verbouwing van zijn paleis aan de Kneuterdijk in Den Haag.

Dat kwam zo. Ellinkhuizen was aangesteld om de verbouwing te leiden en had een door koning Willem II persoonlijk gewrocht bouwplan bestudeerd. De vorst wilde de gotische zaal van het paleis via een nieuw te bouwen gang verbinden met een verderop gelegen toren. Dat was geen probleem, ware het niet dat de constructie die het staatshoofd voor ogen stond in zijn geheel van metselwerk moest zijn. “De zoldering van gemetselde gewelven van boven met een plat gemetseld dak, zonder lood of zink, maar net zoals in Italië, waar de meeste daken met tegels bedekt zijn”, noteerde de aannemer. Wellicht leuk in het warme Italië, maar onmogelijk in het vochtige Nederlandse klimaat, oordeelde Ellinkhuizen.

De vraag hoe dat aan het eigenzinnige staatshoofd te vertellen, hield hem vervolgens dag en nacht bezig. Na lang piekeren trok hij de stoute schoenen aan. Met de nodige egards benaderde hij Willem II en vroeg hem of het niet beter zou zijn een architect in te schakelen.

Ellinkhuizen haalde bakzeil. Willem II lachte hem in zijn gezicht uit. “Ha! Ha! Bange mensen”, voegde de vorst hem toe. “Wat architecten. Ik ben je architect, ik wil geen architecten, ik verkies niet aan de leiband van die mijnheren te lopen. Ik moet het zelf betalen, en wil zelf ordineren, ordineer ik u een bult te maken, dan maak je mij een bult.”

De aannemer restte niets anders dan de wensen van het staatshoofd uit te voeren. Met funeste gevolgen. Nog tijdens de bouw stortte het gewelf in door constructiefouten en kort nadat de nieuwbouw was opgeleverd werd hij al weer afgebroken. De verbinding was zo lek als een mandje. Het bouwen zat Willem II kennelijk niet in het bloed ook al toonde hij een grote interesse in dit ambacht waarmee hij kennis maakte tijdens zijn studie in het Britse Oxford.

Stimulans

Terwijl Willem II zich aan de universiteit van Oxford voorbereidde op zijn rol als staatshoofd, was het bewind van zijn vader, Willem I, een ware stimulans voor de grond-, weg- en waterbouw. Deze eerste koning uit het Oranjehuis was in 1813 als soeverein vorst aan de macht gekomen en droeg sinds 1815 de koningskroon. Hij zette zich in om de handel te bevorderen en daarvan profiteerde de toenmalige gww-sector. De Koopman Koning, zoals Willem I werd genoemd, maakte zich sterk voor de ontwikkeling van de infrastructuur. Uiteindelijk kon de handel alleen bloeien wanneer de natie uitstekend bereikbaar was. Onder zijn bewind, dat duurde tot 1840, toonde hij zich een rusteloze werker die opdracht gaf voor de aanleg van verschillende wegen en kanalen. Het Noordhollandsch Kanaal werd bijvoorbeeld door hem geïnitieerd evenals de spoorverbinding tussen Amsterdam en Arnhem.

Zijn inzet was overigens niet zonder persoonlijk belang. Toen Willem I in 1815 koning werd, bedroeg zijn vermogen naar schatting 10 miljoen gulden. Bij zijn abdicatie een kwart eeuw later werd zijn bezit geschat op zo’n 200 miljoen gulden. Bovendien had zijn bewind een schaduwzijde. Terwijl de infrastructuur werd uitgebreid, en de handel bloeide, leefde een groot deel van de bevolking in uiterst armoedige omstandigheden. Berucht waren de volksbuurten in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. In talloze sloppen en stegen huisden daar complete gezinnen in krakkemikkige eenkamerwoningen. Hoewel het staatshoofd wekelijks spreekuur hield waar rijk en arm hem zijn noden kon voorleggen, bleef volkshuisvesting een ondergeschoven kindje. Dat merkten ook de negenduizend bouwvakkers die tussen 1819 en 1824 op initiatief van Willem I het Noordhollandsch Kanaal aanlegden. De aannemers die door het staatshoofd verantwoordelijk waren gemaakt voor hun huisvesting, gooiden er met hun pet naar. Veel werklieden huisden daarom in zelf opgetrokken hutten in de omgeving van hun werk.

Arbeiderswoningen

In de jaren 1849-1890 toen de derde koning uit het Oranje-huis regeerde kwam de problematiek van de arbeiderswoningen onder de aandacht van het staatshoofd. In zijn opdracht deed het Koninklijk Instituut van Ingenieurs onderzoek naar de omstandigheden waaronder de arbeidersbevolking woonde. De conclusies logen er niet om. Arbeidershuizen ontbeerden veelal riolen en drinkwatervoorzieningen, waren niet wind- en waterdicht en bleven verstoken van zonlicht.

Wat overigens niet betekende dat Willem III ingreep. Pas gedurende de twintigste eeuw werden na lange maatschappelijke discussies de krotten geruimd en betere huizen gebouwd. Overigens zonder rechtstreekse bemoeienis van het vorstenhuis.

Toch wist de koning zich in 1861 middels de bouw bij de gewone man in het vizier te spelen. Na een dijkdoorbraak in Gelderland en Brabant ontstond een watersnoodramp waarbij tientallen doden vielen. De koning ging persoonlijk poolshoogte nemen en liet kort daarop een prijsvraag uitschrijven voor het ontwerpen van vluchtheuvels waarop de bewoners bij een overstroming konden schuilen. Willem III die vanwege zijn soms onbehouwen gedrag Koning Gorilla werd genoemd, oogstte grote waardering voor zijn initiatief van de bewoners van het getroffen gebied. Wat overigens niet wegnam dat het vluchtheuvelplan pas drie jaar later gestalte kreeg vanwege problemen met de financiering.

Bijna een kwart eeuw na de watersnoodramp, in 1885, leerde de bouw Willem III kennen in zijn hoedanigheid van Koning Gorilla. Dat jaar kreeg hij het op de katholieke architectuur geïnspireerde ontwerp onder ogen voor het Rijksmuseum dat in Amsterdam moest verrijzen. De koning die geen hoge pet op had van het katholicisme kondigde aan nooit of te nimmer een voet ‘in dat klooster’ te zullen zetten. Vervolgens weigerde hij de eerste steen te leggen en de officiële openingshandeling te verrichten.

Los van zulke calamiteiten was Willem III anderszins wel betrokken bij de ruimtelijke ordening. Zo verkocht hij in 1855 een park dat zijn vader in Den Haag had laten aanleggen om paard te rijden aan de gemeente. Voorwaarde voor de verkoop was dat in het gebied een villawijk zou verrijzen. Het gemeentebestuur ging akkoord en schakelde gemeentearchitect W.C. van der Waeyen Pieterszen in om een ontwerp te maken. Daarmee was de eerste stap gezet voor het monumentale Willemspark.

Ondertussen wijzigde de rol van de monarchie. De macht van het staatshoofd werd ingeperkt. De vorstinnen die na Willem III de troon bezetten, hadden daarom minder actieve bemoeienis met het bedrijfsleven dan hun voorgangers. Een band met de bouwsector bleef echter bestaan. Dat bleek nadat in 1904 plannen waren gepresenteerd om in Den Haag het Vredespaleis te bouwen.

Een ontwerpwedstrijd die de initiatiefnemer, de Amerikaanse multimiljonair en vredesactivist Andrew Carnegie, had uitgeschreven leverde 216 inzendingen en 3000 tekeningen op. Om deze te exposeren was een flinke ruimte nodig, maar die was aanvankelijk onvindbaar. Hierop besloot koningin Wilhelmina, sinds 1898 op de troon, ruimte beschikbaar te stellen in haar paleis aan de Kneuterdijk.

Corporaties

Voor het overige had de vorstin weinig bemoeienis met de bouwnijverheid. Dat neemt niet weg dat er tijdens haar regeerperiode veel veranderde voor de sector. Zo was de Woningwet van 1901 een belangrijke stap op weg naar het opruimen van de vele tienduizenden krotten die in de negentiende eeuw waren verrezen en maakte de wet de weg vrij voor betere arbeidershuisvesting. Woningcorporaties beleefden in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog hun eerste bloeiperiode.

Deze werd onderbroken door de economische crisis van de jaren dertig en de Duitse inval van mei 1940, zodat de woningnood allerminst werd opgelost. De bezetting ontwrichtte Nederland volkomen. Veel bruggen, wegen en spoorwegen doorstonden de oorlogshandelingen niet. Het centrum van Rotterdam was door de Duitsers gebombardeerd en ook andere steden waaronder Den Haag en Nijmegen hadden zwaar te lijden van bombardementen. Maar nadat de nazi’s in 1945 verslagen waren, begon de wederopbouw. Woningbouw had daarbij prioriteit want huizen waren schaars.

Koningin Juliana, die in 1948 haar moeder was opgevolgd, noemde woningnood een van de ergste plagen van na de bevrijding. In 1952 riep ze de Nederlandse bevolking via de radio op rentespaarbrieven van de Bank voor Nederlandse Gemeenten te kopen waarvan de opbrengst bestemd was om woningen te bouwen. Het loste de problemen niet op. Woningnood was en bleef volksvijand nummer een.

Verder beperkte de rol van het Oranjehuis zich voor zover het de bouwnijverheid betreft tot het knippen van lintjes en het verrichten van officiële handelingen. Koningin Juliana bijvoorbeeld opende in 1963 Het Dorp, de eerste zelfstandige woongemeenschap voor mensen met een lichamelijke handicap. Maar al was de bemoeienis van het staatshoofd met de bouw klein, het vorstenhuis hechtte wel aan de relatie met de sector. Zo was prins Bernhard erevoorzitter van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI), terwijl zijn schoonzoon prins Claus Honorair lid was van deze organisatie.

Krakersrellen

Problemen met de volkshuisvesting bleven de Oranjes achtervolgen. Dat werd pijnlijk duidelijk op 30 april 1980 toen koningin Juliana de troon overdroeg aan haar dochter Beatrix. De wederopbouw ten spijt, was de woningnood nog steeds niet opgelost. Onvrede over een massaal tekort aan woningen terwijl tegelijkertijd in verschillende binnensteden veel panden leegstonden, leidde die dag tot heftige rellen in Amsterdam. “Geen woning, geen kroning”, was het motto van de duizenden woedende actievoerders die de nationale feestdag met veel geweld verstierden.

Tijdens de regeerperiode van koningin Beatrix werd het probleem van het woningtekort niet opgelost. Dat kwam onder meer doordat de bouwsector in de jaren tachtig te maken kreeg met de gevolgen van een wereldwijde crisis, waardoor woningbouw zich voor lange tijd niet ontplooide. Pas in de jaren negentig verloor volksvijand nummer een aan gewicht door de bouw van Vinex-wijken en door binnenstedelijke herontwikkeling. De Oranjes hadden hiermee overigens niets van doen. Wat niet wegneemt dat de band tussen de bouwbranche en het vorstenhuis ook in deze periode bleef bestaan. En net als onder koning Willem I concentreerde de relatie zich rond de grond-, weg- en waterbouw.

Dat bleek in 1997 toen troonopvolger prins Willem-Alexander tijdens een interview verklaarde dat hij zich met watermanagement ging bezighouden. In de jaren daarna ontwikkelde hij zich tot deskundige op dit vakgebied.

Met het koningschap van Willem-Alexander stopt zijn rol in het watermanagement. Is dan het moment aangebroken waarop het staatshoofd net als zijn voorgangers uit de negentiende eeuw zich actief gaat bemoeien met de in crisis verkerende bouwnijverheid? Gezien de gewijzigde rol van de monarchie in de laatste twee eeuwen, lijkt die kans gering. Maar de toekomst laat zich niet voorspellen. Dus zal de vraag pas met zekerheid te beantwoorden zijn nadat te zijner tijd koning Willem-Alexander de fakkel overdraagt aan een nieuwe telg uit het Oranjehuis.

Eerste drie Oranje-koningen bemoeiden zich actief met bouwsector

Historisch overzicht

kop

tekst

kop

tekst

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels