nieuws

Financiering van projecten in moeilijke tijden

bouwbreed

Financiering van projecten in economisch moeilijke tijden: is dbfmot het ei van Columbus?

In de media valt in deze tijden van economische malaise steeds vaker te lezen dat van aannemers ook verlangd mag worden projecten (mee) te financieren. Er zijn aannemers die zich inspannen hierin tegemoet te komen. Andere spelers lijken een terughoudender opstelling in te nemen en vinden dat ze daarmee te veel afkomen van hun core business ; het realiseren van (bouw) werken. Geldt voor hen het principe ‘schoenmaker blijf bij je leest’ of is het koudwatervrees? En wat is wijsheid?

In tijden van teruglopende budgetten en krappe bestedingsruimte bij overheden, corporaties en andere instellingen wordt gekeken naar andere manieren om de (overheids-) ambities op alternatieve wijze tegemoet te treden. Ook de Wet houdbare overheidsfinanciën (Hof) is debet aan deze ontwikkeling. Er wordt onder meer naar de markt gekeken om projecten (mee) te financieren. Het vehikel van de privaat-publieke samenwerkingsvormen (pps) kan in dit economisch tij rekenen op extra veel belangstelling. Er werden ook al pps-structuren aangegaan vóór de economische neergang van 2008 en de jaren erna. Pps-projecten kunnen zijn vormgegeven als allianties, maar worden veelal gestructureerd in integrale contracten waarin de financieringscomponent is verdisconteerd. In dit kader wordt wel gesproken over dbfmot-contracten en allerlei varianten daarop dbfm, dbm etc. D staat voor design (ontwerp), b voor build (uitvoering), f voor finance (financiering), m voor maintain (onderhoud), o voor operate (exploitatie) en t voor transfer (overdracht).

Rijkswaterstaat en de Rijksgebouwendienst hebben al een track record opgebouwd met deze geïntegreerde contractwijze. Zij werken met een gestandaardiseerd dbfmot-contract, waarmee andere overheden zoals provincies en gemeenten en wat minder grote marktpartijen nog weinig ervaring zullen hebben opgedaan. Wellicht dat de economische crisis daar een kentering in zal brengen.

Er zijn voordelen te behalen aan geïntegreerde contractvormen. Immers, een integrale benadering kan bewerkstelligen dat meer vanuit een levenscyclus en vooral duurzamer wordt ontworpen, uitgevoerd, onderhouden, en dergelijke. Daar waar in het klassieke model een architect een bedrijfspand ontwerpt, een aannemer de bouw conform het ontwerp op zich neemt en de onderhoudswerkzaamheden vervolgens door een andere partij worden verricht, is het nadeel dat in deze klassieke opvatting versnippering plaatsvindt. De architect kan een ontwerp maken dat uitvoerings-/onderhoudstechnisch ongelukkig is. Heel fraai ontworpen, maar helaas zijn zoveel kolommen/zuilen opgenomen dat gangbare onderhoudsapparatuur niet bruikbaar is, waardoor arbeidsintensievere en daarmee exploitatiekostenverhogende arbeidsmethoden moeten worden toegepast. Ook bepaalde materiaalkeuzes in het ontwerp kunnen negatief uitwerken op de uitvoerings-/onderhoudspraktijk.

Risico’s

Als echter aspecten van ontwerp, uitvoering en onderhoud in één hand berusten, gaat de opdrachtnemer slimmer ontwerpen en uitvoeren, anders ziet hij zich door ontwerp-/uitvoeringsonvolkomenheden geconfronteerd met toename van onderhoudskosten die hij niet kan doorbelasten aan de opdrachtgever. Immers, de dbm-opdracht is integraal en voor het geheel ontvangt de aannemer een ‘beschikbaarheidsvergoeding’.

Er kleven ook nog andere voor- en nadelen aan de geïntegreerde contractvorm, die hier ter plaatse verder niet worden besproken. Bij pps moet altijd kritisch worden gekeken naar een evenwichtige risico-allocatie en in het bijzonder de financieringscomponent daarin. Als uitgangspunt zou moeten gelden dat risico’s bij de partijen moeten berusten die ze het beste kunnen beheersen. Dit vraagt om een voorbeeld. Een willekeurige aanbestedende dienst verlangt in een aanbestedingsprocedure dat een aannemer een spoortraject moet ontwerpen, uitvoeren, onderhouden en exploiteren (dbmo). U kunt zich wellicht nog iets voorstellen dat een aannemer zorgdraagt voor de eerste drie componenten (dbm), maar voor exploitatie (o) van het spoor lijkt een vervoersorganisatie toch beter toegerust dan een aannemer. In plaats van een spoortraject had dit voorbeeld ook kunnen gaan om een ziekenhuis, treintoestellen, defensiematerieel. De aannemers die aan de aanbestedingsprocedure deelnemen, zullen het voor hen moeilijker beheersbare aspect ‘exploitatie’ als risico prijzen, zodat de inschrijfsom bij de aanbesteding waarschijnlijk hoger uitpakt. Uiteindelijk heeft dit een kostprijsverhogend effect voor de aanbestedende dienst tot gevolg, wat nadelig is voor de maatschappij. Dit geldt ook bij het aspect van financiering. Aannemers hebben immers niet tot hun dna het bankieren, maar voeren voornamelijk aannemingswerkzaamheden uit.

Overheid

Zoals we hiervoor al zagen, liggen aspecten als onderhoud en ontwerp veel meer in het verlengde van de uitvoeringspraktijk. De aannemer zal externe financiering moeten betrekken om het project voor te financieren tegen veelal ongunstigere financieringscondities (hogere interestpercentage als risicoafdekking bank).

Daar waar de overheid doorgaans tegen gunstigere financieringscondities kan lenen en dat toch aan de markt overlaat, moet zij zich realiseren dat dat een kostprijsverhogend effect zal hebben. Weliswaar staat er geen financieringslast op de balans van de overheid, maar is na verloop van tijd een periodieke beschikbaarheidsvergoeding verschuldigd, waardoor de balans lean and mean is, maar is deze off balance wijze op lange termijn voor de overheid en daarmee de belastingbetaler nadelig. Immers, de hogere financieringslast voor de aannemer zal terugkomen in de hoogte van de beschikbaarheidsvergoeding.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels