nieuws

Pps-contract biedt in de praktijk niet meer dan schijnveiligheid

bouwbreed Premium

De factoren tijd en omgeving zijn zo onvoorspelbaar dat een pps-contract is achterhaald op het moment van tekenen. “Toch gaan we dan stug door met de afspraken op papier die al niet meer stroken met de werkelijkheid.”

Het is een van de opvallendste uitkomsten van het wetenschappelijke onderzoek van Frits Verhees, die daarnaast als pps-expert bij Heijmans werkt en daarvoor jarenlang bij Strukton integrale projecten deed. Hij bemoeide zich onder meer met de bovenbouw van de HSL-Zuid, Duo-Groningen, A12 Lunetten en A15 Maasvlakte-Vaanplein. Donderdag 25 april promoveert de ruimtelijk wetenschapper bij de Universiteit Groningen. In zijn onderzoek met de titel: ‘Publiek-private samenwerking: adaptieve planning in theorie en praktijk’ verbindt hij pps met inzichten uit de ruimtelijke planningtheorie en complexiteitswetenschappen.

Verhees vindt dat de reikwijdte van publiek-private samenwerking veel verder strekt dan de dbfmo-procedure die bijna zonder uitzondering worden gebruikt. “We kiezen nu één weg omdat er geen andere manier zou zijn, maar de Europese regelgeving geeft ruimte voor tenminste zes smaken voor integrale aanbestedingen en contracten.” Vooral allianties verdienen in de ogen van de promovendus vaker een kans.

Bij het uitwerken van zijn proefschrift koos hij dan ook bewust voor het uitdiepen van verschillende pps-vormen: de Waardse alliantie (onderdeel van de Betuweroute), het Montaignecollege (eerste pps-school van Nederland) en de A2 Maastricht (tunnel inclusief een gebiedsontwikkeling).

Alliantiecontract

“Een dbfm-aanpak is uitstekend geschikt voor de aanbestedings- en ontwerpfase en zorgt voor een goede competitie tussen marktpartijen. Maar daarna zou je idealiter beter af zijn met een alliantiecontract, zodat op een gestructureerde manier ruimte blijft om gedurende de looptijd aanpassingen door te voeren”, adviseert Verhees.

Zo ook bij de Waardse Alliantie, het enige contract van de Betuwelijn dat binnen tijd en budget werd opgeleverd. “In de alliantie werd een referentiesituatie vastgelegd met duidelijke procedures om te optimaliseren. Samenwerking werd het uitgangspunt en het bijbehorende alliantiefonds zorgde ervoor dat beide partijen profiteerden van verbeteringen”, schetst Verhees een van zijn cases.

Vooraf nadenken over het beoogde eindresultaat en dat leidend maken bij de uitvoering en het beheer van een project, zou idealiter het beste resultaat opleveren. Dat klinkt logisch en simpel, maar is allesbehalve de praktijk bij de uitvoering van complexe bouwprojecten. “Theoretische reflectie ontbreekt bijna altijd en ‘gewoonte’ wint het van lerend vermogen. Wie stuurt op de laagste prijs, krijgt de laagste prijs, maar het resultaat is dan meestal niet wat je voor ogen had. De volgende keer gaat het weer net zo.”

Maar ook het pps-contract heeft zijn beperkingen, ondanks het feit dat in de aanbesteding ruimte is voor dialoog en wordt gegund op meerdere criteria. “Opdrachtgever en opdrachtnemer zijn meestal zo druk met elkaar in de weer dat er nauwelijks meer aandacht is voor de omgeving en de gebruiker. De factoren tijd en omgeving zijn niet in te kaderen en zorgen ervoor dat de wensen al niet meer matchen met het moment van tekenen van het contract. Toch houdt iedereen daarna angstvallig vast aan de schijnzekerheid die het contract biedt, want loslaten zorgt voor extra risico’s en onzekerheid.”

Een voorbeeld daarvan was onder andere het binnenklimaat (19,2 graden) in de klassen van de Montaigneschool, die door de docenten en scholieren als onaangenaam koud werd ervaren. “Binnen twee jaar stonden de partijen op voet van oorlog en was het zeker misgelopen zonder projectverbintenis van dertig jaar. Het besef dat je nog 28 jaar tot elkaar bent veroordeeld, zorgde er voor dat die crisis een oplossing forceerde en een nieuwe mentale overeenkomst werd gesloten: Werken in de geest van het contract in plaats van de letter”, beschrijft Verhees een andere case.

Juist de periode van onderhoud en exploitatie duren het langst en zijn onderhevig aan veranderende wensen. “Meebewegen is onvermijdelijk. Dus moet er meer ruimte komen om zo’n contract aan te passen. Een alternatief is een procescontract waarbij het inhoudelijke plan slechts een referentie is voor bijvoorbeeld de bouw en exploitatie”, bepleit Verhees.

De promovendus koos voor de A2 Maastricht omdat daar vooraf goed was nagedacht over de een expliciete aanbestedings- en projectstrategie in combinatie met de tunnelbak en de herinrichting van de omliggende wijken.

Vastgespijkerd

“Het winnende ontwerp van de bouwcombinatie werd omgezet in het tracébesluit, in plaats van de gebruikelijke manier om dat andersom te doen. Je kunt er wel over twisten dat de aanbestedingsperiode lang duurde. Maar bij veel contracten wordt helemaal niet goed nagedacht over de ruimtelijke ordening en is de ontwerpvrijheid helemaal ingeperkt door een vastgespijkerd tracébesluit. Daardoor kregen de A12 Lunetten-Veenendaal en de A15 Maasvlakte-Vaanplein naar mijn mening niet de meest optimale oplossing voor het probleem om meer capaciteit te creëren.” n

Reageer op dit artikel