nieuws

‘Corporaties kunnen al snel de helft van hun kosten besparen’

bouwbreed Premium

De onderhoudssector zet met de oprichting van OnderhoudNL een nieuwe stap in de verdere professionalisering van de branche. Dat is nodig, want de concurrentie vanuit de aannemerij neemt snel toe.

Wat lange tijd niet voor mogelijk werd gehouden, gebeurde begin dit jaar toch: een krachtenbundeling van Fosag en WVB Vastgoed Onderhoudsbedrijven, twee bepalende brancheverenigingen in de onderhoudssector. Samen zijn ze opgegaan in één organisatie, OnderhoudNL.

“We hebben een nieuwe jas aangetrokken. Er is nieuw elan”, vertelt directeur Okke Spruijt op het kantoor van de nieuwe brancheorganisatie in Waddinxveen. Aan tafel zitten ook voorzitter Ruud Maas, de bevlogen kwartiermaker en mede-bestuurder Frits Smits en Ludwig Smits, voorzitter van de sectorvereniging grote vastgoedonderhoud- en totaalonderhoudsbedrijven.

“Er zijn afgelopen jaar stevige gesprekken gevoerd met alle betrokkenen en daarbij zijn, bij wijze van spreken, best wat traantjes weggepinkt”, kijkt Frits Smits terug. “Maar iedereen is er inmiddels van overtuigd dat we er goed aan hebben gedaan de stammenstrijd van weleer te staken. We trekken eindelijk gezamenlijk op.”

OnderhoudNL telt bij de start 2600 leden. Dat is ongeveer 75 procent van het totaal aan bedrijven in de onderhoudsbranche. Alle lidbedrijven van de WVB zijn overgegaan en zelfs enkele grote aannemers, waaronder Hurks, hebben zich aangesloten. De achterban is breed en zeer divers: schilders, glaszetters, metaalconserveringsbedrijven, zelfstandigen zonder personeel, maar ook grote ondernemingen actief in totaalonderhoud.

Het aantal leden zal komende tijd nog stijgen, verwacht Spruijt. Dat kan volgens hem ook makkelijk, omdat bijvoorbeeld met de Nederlandse Ondernemingsvereniging voor Afbouwbedrijven (NOA), die zo’n 1700 leden telt, verdergaande samenwerking nog open staat.

“Elk bedrijf dat actief is in onderhoud moet lid worden van OnderhoudNL. Daar gaan we in ieder geval voor”, steekt de kersverse voorzitter van de nieuwe brancheorganisatie, Ruud Maas, de ambities niet onder stoelen of banken. “We willen nog breder worden. En in kwaliteit nog dieper gaan.”

Een sterke brancheorganisatie is volgens Maas van groot belang voor de sector. “Samen kunnen we meer voor elkaar krijgen in bijvoorbeeld politiek Den Haag, maar ook op het gebied van opleidingen. We waren voorheen een verenigingsvorm van opgeteld wel achttien verschillende sectoren en regio’s. Met allemaal hun eigen regels en methodieken en bovenal hun eigen statuur. Nu is er eenheid. OnderhoudNL is snel, zakelijk en efficiënt. Dat komt onze uitstraling ten goede. En dat is weer goed voor de, o zo belangrijke instroom van nieuw talent.”

Spruijt: “Eén club, één tent. Dat biedt mogelijkheden om de aanwezige kennis veel beter te delen en daarmee de professionaliteit van de bedrijven nog verder te vergroten. Ja, de leden van OnderhoudNL zijn divers en verschillen in omvang. Maar dat heeft vooral ook voordelen. Kleine schildersbedrijven kunnen profiteren van de dynamiek van de grote totaalonderhoudsbedrijven. De ondernemingen in deze branche zijn gewend om kennis te delen. De nieuwe, platte organisatie maakt dat nog veel beter mogelijk. Maar laat ik duidelijk zijn: wij zullen alle leden, klein of groot, bijstaan. Van A tot Z.”

Prestatiegericht

Morgen presenteert OnderhoudNL zich voor het eerst aan het grote publiek, tijdens een groots opgezet symposium in de Rotterdamse Doelen. Vijftienhonderd gasten worden verwacht, waarvan ruim de helft afkomstig is uit de hoek van opdrachtgevers. Dat laatste is geen toeval, geven Spruijt en consorten toe: de onderhoudssector wil woningcorporaties en andere vastgoedbeheerders maar al te graag laten zien wat ze in huis heeft, zeker nu door de crisis de orderstromen snel opdrogen. De bijeenkomst zal nadrukkelijk ook worden aangegrepen om opdrachtgevers te overtuigen van de voordelen die resultaatgericht samenwerken in onderhoud (rgs) biedt.

“Zeker nu de corporaties geconfronteerd worden met de verhuurdersheffing van minister Blok is de noodzaak om onderhoud nog efficiënter uit te voeren, bijzonder groot”, verklaart Ludwig Smits. “Je zou het misschien niet verwachten, maar nog lang niet alle corporaties hebben rgs omarmd. Ik schat dat ongeveer 30 procent het heeft begrepen, maar 70 procent dus nog niet. Er is nog een wereld te winnen.”

Gedwongen door de kabinetsmaatregelen zullen corporaties duidelijke keuzes moeten gaan maken, meent Spruijt. “De rol van de corporaties verandert niet, maar de invulling van die rol wel. Om een voorbeeld te geven: de woningbouwverenigingen hebben momenteel samen zo’n vijfduizend mensen die zich bezig houden met ontwerp, advies en onderhoud. Je kunt je afvragen waarom. Er zijn in de markt meer dan genoeg professionele bedrijven die dat beter kunnen dan zijzelf.”

Frits Smits valt hem bij. “Corporaties moeten meer de regie gaan voeren over hun woningvoorraad en de uitvoering overlaten aan de onderhoudsbedrijven”, zegt hij. “Zo kunnen ze al snel de helft van hun kosten besparen. We hebben daar onlangs met corporatiekoepel Aedes over gesproken. Het kwartje is daar wel gevallen. Ze gaan ons helpen hun leden te overtuigen van ons standpunt.”

Maas: “Er moet überhaupt anders naar onderhoud en onderhoudskosten worden gekeken. De totale kosten over de levensduur van een gebouw moeten doorslaggevend worden. Zoals in de transportsector niet naar de aanschafkosten van een nieuwe vrachtauto wordt gekeken, maar naar de kosten van die vrachtwagen per kilometer. Als je dat principe in onze sector doorvoert, begint onderhoud al bij het ontwerp van een woning of kantoor.”

Concurrentie

Spruijt stelt tevreden vast dat de onderhoudsbedrijven afgelopen jaren aan professionaliteit hebben gewonnen. De ondernemingen zijn groter en allrounder geworden of juist heel specialistisch. Het belang van de sector in de totale bouwkolom is daarmee toegenomen. Tegelijk is, zo constateert Frits Smits, de concurrentie vanuit de algemene aannemerij toegenomen. “Ook de bouwbedrijven zijn wakker geworden. Ze verschuiven, mede gedwongen door de crisis, steeds meer van nieuwbouw naar renovatie en onderhoud. We zien ze regelmatig bij onze opdrachtgevers aan tafel zitten. Is dat erg? Nee. Het geeft ons juist een impuls om nieuwe initiatieven te nemen en innovatief bezig te zijn.”

Maas: “Werken in de bestaande gebouwde omgeving is een kunst apart. Dat weten wij al langer en veel opdrachtgev ers gelukkig ook. Maar gezien de draai die bouwbedrijven maken, mogen we niet verslappen. Omgaan met bewoners, zit in onze genen, dat doen wel al honderden jaren. Toch zullen we vreselijk ons best moeten blijven doen.”

Smits knikt instemmend. Niettemin is hij er van overtuigd dat de onderhoudsbedrijven de traditionele bouwbedrijven een stap voor zal blijven. “Resultaatgericht onderhoud gaat over duurzaamheid, energiebesparing, maar ook over veiligheid, gezondheid, levensloopbestendigheid. Op die terreinen reikt onze kennis verder dan die van de gewone bouwondernemingen. En kennis is nog altijd macht. We beperken ons allang niet meer tot het plaatsen van een paar isolerende ruiten. Inventariseren en adviseren in de planfase hoort er ook bij. De onderhoudsbedrijven hebben dat in huis. Ze zijn allang geen inspanningsbedrijven alleen meer.” n

Reageer op dit artikel