nieuws

Huizen in tuinwijk zelden identiek maar wel met individueel karakter

bouwbreed Premium

Waarin zit toch de aantrekkingskracht van de bouwstijl uit de jaren dertig van de vorige eeuw? En waarom is hij zo waardevol voor de stedenbouwers van nu? Het zijn de vragen die Joost Kingma bezighouden en die hij beantwoordt in zijn boek ‘De magie van het jaren ‘30 huis’.

Woningen uit de jaren dertig van de vorige eeuw zijn nog steeds razend populair en liggen nog altijd goed in de markt. Maar ook huizen die recent zijn gebouwd in de stijl uit die tijd gaan grif van de hand. Waarom?

Het vraagstuk fascineert Kingma, voorheen onder meer directeur Concerncommunicatie van Bouwfonds, tegenwoordig zelfstandig adviseur ruimtelijke organisatie, marketing en communicatie. Kingma publiceerde drie boeken over de ruim opgezette wijken die in de jaren tussen de twee wereldoorlogen, het interbellum, verrezen. Het gaat om de tuinwijken die opvallen vanwege hun fraaie vrijstaande woningen en twee-onder-een-kappers, gelegen aan brede straten met veel groen. Vorig jaar promoveerde Kingma op dit onderwerp aan de TU Delft. Op 8 februari presenteert hij zijn nieuwste boek waarvoor zijn proefschrift als basis diende.

Zijn eerste kennismaking met het woningtype waarover hij zo veel heeft gepubliceerd, dateert uit zijn kinderjaren, vertelt Kingma terwijl hij zijn auto langs de vrijstaande woningen aan de Sterrenboslaan in Zeist rijdt. Aan deze laan bewoonde hij met zijn gezin lange tijd een woning uit de jaren ‘30.

Kingma’s beide grootvaders woonden in een woning die in het interbellum was gebouwd, legt hij uit. Hij noemt in het bijzonder zijn grootvader van vaders kant, een docent autotechniek die tussen 1914 en 1931 zeven huizen kocht. In een daarvan woonde hij zelf, de andere verhuurde hij. “De groeiende welvaart maakte hem tot een van de vele kleinere particuliere beleggers die de dragers werden van de wijken voor de gegoede burgerij”, schrijft hij in zijn boek.

Investeringsdrang

De economische crisis die vanaf 1929 wereldwijd om zich heen greep, had grote invloed op de investeringsdrang van zijn grootvader, vermoedt Kingma. “Hij zocht een solide investering en belegde zijn geld in steen. Iets dat meer mensen in die tijd deden. Zo’n huis kostte rond 3000 gulden en bleek inderdaad een goede investering te zijn.”

Niet alleen particuliere beleggers zoals grootvader Kingma beseften dat, maar ook bouwbedrijven. Ge-regeld gebeurde het dat een aannemer een huis in opdracht bouwde en daarna nog een of twee voor eigen risico. “Die werden dan verkocht of verhuurd. Dit soort wijken werd doorgaans niet in een stroom opgetrokken, zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is. Nadat een woning was opgeleverd, kon er een behoorlijke tijd mee heen gaan voordat er weer een kavel werd bebouwd.”

Voorbeelden van buurten die zo tot stand kwamen, zijn in heel Nederland te vinden. Onder andere in Den Haag, Driebergen-Zeist, Haren en Zuid-Limburg. Nederland telt honderdduizenden jaren ‘30 woningen. En al die huizen zijn nog steeds bijzonder gewild. Die populariteit heeft verschillende oorzaken, vertelt Kingma.

Terwijl hij door de wijk Sterrenbos in Zeist rijdt, wijst hij op de brede straten met aan weerszijden bomen en daartussenin de woningen, op ruime afstand van elkaar en omgeven door tuinen. “Je komt in deze tuinwijken maar heel weinig identieke huizen tegen. Ze hebben bijna allemaal een ander ontwerp.” Daar komt bij dat de aannemers in die tijd veel oog hadden voor details. Dat komt tot uiting in de afwerking. Kingma roemt het metsel- en voegwerk, de raampartijen en het glas-in-lood.

Het zijn kwaliteiten die hij veel minder tegenkomt in de recent gebouwde wijken met woningen in de stijl uit die periode. De straten zijn nu minder breed en er is dan ook minder ruimte voor groen, de detaillering van de woningen is minder expliciet en het individuele karakter van de woningen die wel is te vinden in de originele wijken uit het interbellum, ontbreekt.

Kingma verwacht dan ook niet dat de ‘neo jaren ‘30 woningen’ het origineel in populariteit zullen overtreffen. Niettemin zijn ook deze woningen wel degelijk heel gewild, constateert hij. “Al zijn er significante verschillen met de oorspronkelijke tuinwijken, de neo jaren ‘30 huizen kunnen heel aantrekkelijk zijn.” Of ze uiteindelijk net zo waardevol zullen blijken als het origineel, kan hij niet zeggen. “Pas over een halve eeuw is op die vraag misschien een antwoord te geven.”

Wel stelt Kingma in ‘De magie van het jaren ‘30 huis’ vast dat ontwikkelaars en bouwers van nu kunnen leren van de magie van het jaren ‘30 huis. Zo zou het vruchten kunnen afwerpen als wijken niet in korte tot zeer korte tijd uit de grond zouden worden gestampt. “Daardoor blijft er ruimte in een wijk die op een later moment, al naar gelang de behoefte, kan worden gebruikt”, schrijft hij. “Zo kan er gelaagdheid in de wijk ontstaan met gebouwen uit verschillende periodes, wat de variatie ten goede komt.”

Advies

Een ander advies: creëer meer ruimte voor kleinere bouwers en ontwikkelaars. “En er zou ook ruimte kunnen ontstaan voor nieuwe ontwikkelingsvormen, bijvoorbeeld voor de individuele kleine belegger die kleinere complexen bouwt en deze gedeeltelijk verhuurt of verkoopt.”

Particulier opdrachtgeverschap juicht hij toe, hoewel hij er geen wonderen van verwacht. “Slechts een beperkte groep mensen vindt dat aantrekkelijk. Er is een veel grotere groep die het belangrijk vindt om een zekere mate van medezeggenschap te krijgen over hoe hun toekomstige huis er gaat uitzien. En daarop zou wel meer kunnen worden ingespeeld.”

Maar dat betekent wat Kingma betreft niet dat de bouwstijl uit het interbellum klakkeloos moet worden geïmiteerd. “Beïnvloed worden door een populair woningtype uit het verleden, is geen enkel bezwaar. Maar elk tijdperk brengt zijn eigen karakteristieken met zich mee. Dat geldt ook voor de huidige periode en het is van belang om die eigenheid tot uiting te laten komen in de woningen die nu worden gebouwd.” n

Joost Kingma, De magie van het jaren ’30 huis, Vantilt, Nijmegen, ISBN 9789460041150

Reageer op dit artikel