nieuws

Plicht tot proactieve houding

bouwbreed

Op 11 september 2012 is een vonnis van de voorzieningenrechter Den Haag gepubliceerd over de termijnen in een aanbestedingsprocedure (LJN: BX6803). Rijkswaterstaat heeft een niet-openbare aanbesteding gehouden voor beveiligings-, catering- en schoonmaakdiensten. Er zijn vijf kandidaat-inschrijvers geselecteerd. Van deze vijf kandidaten hebben uiteindelijk alleen A en B een geldige inschrijving gedaan.

Rijkswaterstaat heeft B op 22 mei 2012 medegedeeld dat de inschrijving van B als tweede is geëindigd. In deze brief stond ook dat wanneer B niet binnen vijftien dagen (Alcateltermijn) na verzending van de gunningsbeslissing een kort geding aanhangig maakte, Rijkswaterstaat de opdracht aan A zou gunnen. Pas op 13 juni 2012 maakte B een kort geding aanhangig.

Rijkswaterstaat heeft B bij brief van 25 juli 2012 medegedeeld dat de aanbestedingsprocedure nog eens zorgvuldig is onderzocht, maar dat zij geen aanleiding zag om aan B een hogere score toe te kennen.

In het kort geding heeft B twee argumenten aangevoerd. Ten eerste dat A niet aan de selectiecriteria voldeed en ten tweede dat de herbeoordeling door Rijkswaterstaat niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Rijkswaterstaat en A hebben aangevoerd dat B te laat was met haar bezwaren.

De voorzieningenrechter overwoog dat partijen geen vervaltermijn zijn overeengekomen. Dat ontsloeg B echter niet van haar verplichting om voortvarendheid te betrachten en zich pro-actief op te stellen. Deze plicht is door B geschonden. B was al op 22 mei 2012 op de hoogte van de selectie van A en het bezwaar dat B direct daarna uitte, was nagenoeg identiek aan de argumenten in haar dagvaarding. De voorzieningenrechter oordeelde dat er voor B geen gegronde redenen waren om de Alcateltermijn op 6 juni 2012 te laten verstrijken.

Dit is anders voor de bezwaren tegen de kwalitatieve herbeoordeling door Rijkswaterstaat. Voor dat onderdeel is wél een nieuwe Alcateltermijn gaan lopen, omdat sprake was van nieuwe omstandigheden. Samenvattend geldt dus dat een ‘oud’ bezwaar niet kan meeliften met een ‘nieuw’ bezwaar.

Dit vonnis maakt nogmaals duidelijk dat ook in de situaties waarin geen vervaltermijn is overeengekomen, op de inschrijver de plicht rust om een voortvarende en proactieve houding aan te nemen. Zo niet, dan loert het gevaar dat het bezwaar de definitieve gunning van de opdracht aan een ander niet in de weg staat.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels