nieuws

Studie naar bouw tot 2040

bouwbreed

Studie naar bouw tot 2040

In de artikelenreeks De Bouw 2030 schetsen opinieleiders hun visie op de toekomst van de sector. Vandaag deel 5: Taco van Hoek, directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB).

“Ik heb een tijdje geleden het initiatief genomen om met het Economisch Instituut voor de Bouw onderzoek te doen naar hoe de wereld er voor de bouwsector er tussen 2010 en 2040 uit zou kunnen zien. Dat onderzoek gaan we binnenkort starten. In het onderzoek gaan we verschillende scenario’s voor de sector proberen te schetsen en te doordenken.

Doel van ons onderzoek is om grip te krijgen op de mogelijk toekomstige ontwikkelingen en, nog belangrijker, hoe actoren in en rond de bouw daarop zouden kunnen inspelen. Het gaat dus niet om het voorspellen van de toekomst.

Er zijn trends die we nu al kunnen zien, en een aantal ontwikkelingen waarvan we weten dat het die kant opgaat. Maar bij elkaar zijn er meer vragen dan antwoorden. Als je langjarige, structurele trends in beeld wilt brengen, is dat niet zo eenvoudig. Mensen bekijken de wereld altijd sterk vanuit de situatie waar we net uitkomen. Iedereen zegt bijvoorbeeld: die Vinex-tijden zijn voorbij. Maar is dat echt zo? Komt er geen revival?

We kijken ook naar vragen als: stel dat straks de helft in de bouw zzp’er is, hebben we dan een andere bouwsector? En is het systeem van de bouw-cao dan nog wel overeind te houden? Dat zijn een paar niet onbelangrijke vragen.

Die vragen proberen we te beantwoorden door zoveel mogelijk ideeën te vormen, en informatie te vinden uit het verleden of uit andere landen. En soms ook door naar andere sectoren kijken. Dus als ik nu moet schetsen hoe de wereld er in 2030 uit komt te zien, en welke rol de bouw daarin zou kunnen spelen, dan komt die vraag eigenlijk een jaar te vroeg. Maar ik ga er van uit dat de vraagstukken die we gaan bestuderen en waarvan ik er hier al enkele aankondig de sector zouden kunnen prikkelen en kunnen bijdragen aan betere inzichten voor het strategisch beleid van partijen.

Sommige inhoudelijke trends zijn al te benoemen. Demografisch hebben we te maken met een aanzienlijke vergrijzing, die in ongeveer 2040 de top bereikt. Daarnaast hebben we een veel langzamere groei van het aantal huishoudens. De komende jaren groeit het aantal huishoudens nog met 57.000, maar de decennia daarna komt er een afvlakking van de groei. Die demografische bewegingen verschillen bovendien regionaal.

Woningen

De vraag is hoeveel woningen er onttrokken gaan worden. Er komt meer veroudering van de woningvoorraad aan. Ik denk dat we dan meer met sloop-nieuwbouw krijgen. Maar dat is een bedrijfseconomische beslissing die vooral bij corporaties ligt. Die beslissing is afhankelijk van bedrijfseconomische aspecten en zaken als de epc; als die erg hoog komt te liggen, kan het zijn dat renovatie niet echt lonend is.

Waar de bouwsector geen controle over heeft is de economische groei. Die is sterk van invloed op de kwaliteitsgroei van de woningvoorraad. Meer groei betekent dat er meer financiële ruimte is voor nieuwbouw of investeringen in bestaande bouw. Op lange termijn hebben verschillen in economische groei grote gevolgen voor de ontwikkeling van de kwaliteit van de gebouwenvoorraad.

Ook beleidsinterventies zijn belangrijk voor de kwaliteit van de woningvoorraad. Dan heb ik bijvoorbeeld over de hypotheekrenteaftrek, de liberalisering van de huurmarkt en de overdrachtsbelasting. Aanpassingen hiervan hebben de komende tien, vijftien jaar effect. Dat draait om de relatieve prijs van wonen, dat wordt vaak slecht begrepen. Als wonen relatief duurder wordt door bijvoorbeeld de renteaftrek te beperken, gaan mensen toekomstige woonbeslissingen uitstellen om hun woonquote weer op peil te krijgen. Ze kiezen er bijvoorbeeld voor om niet over zes, maar bijvoorbeeld over negen jaar een nieuwbouwwoning te kopen.

Interessant is ook om te kijken wat de woningprijzen gaan doen. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat de woningprijzen structureel achterblijven bij de inflatie. De vraag is of de reële prijzen nog zullen stijgen en of er sprake is van prijsdifferentiatie, dus dat in verschillende regio’s verschillende prijzen uiteen gaan lopen.

En wat is er mogelijk aan productiviteitswinst bij bouwbedrijven? Daar zit natuurlijk een relatie met de prijzen. De crisis heeft nu een tijdelijk drukkend effect, maar zijn er ook belangrijke structurele winsten te behalen door organisatieveranderingen?

Voorraadanalyse

In de studie gaan we ook een voorraadanalyse maken. Dat is nog nooit goed gedaan. Hoeveel gebouwen, wegen en spoor moet er vervangen worden, en hoeveel riolering? Hoeveel veroudering is er, en wat betekent dat voor de investeringen?

Ook de werkgelegenheid gaat veranderen. We komen uit een tijd met groeiende werkgelegenheid in Nederland. Maar we krijgen stagnatie, waarschijnlijk zelfs lichte krimp. Wat betekent dat voor de kantorensector en wat zijn de gevolgen voor de mobiliteit en de infrastructuur?

En wat betekent de vergrijzing op de woningmarkt? Ouderen willen zoveel en zolang mogelijk thuis wonen, maar dat hangt er ook vanaf hoe de zorg georganiseerd is en hoe het gefinancierd wordt. Wordt het in de toekomst bijvoorbeeld mogelijk om met een deel van je pensioen een huis te kopen of je pensioengeld aan zorg te besteden? Past het huidige pensioensysteem eigenlijk nog wel in onze tijd? Ik zou zelf ook wel over een stukje van mijn pensioen willen beslissen.

Hopelijk hebben we in 2030 ook een beter functionerende hypotheekmarkt. De relatief slechte prestaties op de woningmarkt komen niet door de discussie over de hypotheekrenteaftrek, maar die komen door de slecht functionerende Nederlandse hypotheekmarkt. Ik begrijp niet dat dit niet meer aandacht krijgt in de beleidsdiscussie over de woningmarkt. De hypotheekrente is in Nederland in vergelijking met andere landen bijna 1 procent hoger. Als de hypotheekmarkt structureel beter kan functioneren, dan zijn de voordelen groot. Een procent lagere hypotheekrente betekent 20 procent lagere hypotheeklasten, dat is ongeveer 16 procent lagere netto-woonlasten. Dat is veel!

Ik deel ook de algehele somberheid over de economie op lange termijn niet. Er is een overtrokken perceptie dat de vergrijzing een drama is. In feite is het vooral een verdelingsvraagstuk . De gedachte dat de zorg en de pensioenen onbetaalbaar worden verdienen serieuze nuancering. Je moet erbij namelijk ook bedenken hoe het inkomen zich over dertig jaar ontwikkelt. Als je een heel normale productiviteitsstijging hebt van 1,25 procent per jaar, betekent dat dat de reële inkomensstijging bijna 50 procent is. Dan kun je ook duidelijk meer zorguitgaven betalen. De afgelopen twintig jaar zijn we ook veel meer gaan betalen voor zorg, maar onze overige consumptie is niettemin blijven stijgen. Maar zo wordt er jammer genoeg nooit geredeneerd.”

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels