nieuws

Meten van samenwerking niet eenvoudig maar wel wenselijk

bouwbreed

Ingrid Koenen Het meten van samenwerking in de bouw is niet eenvoudig, maar wel wenselijk. Rijksopdrachtgevers als Rijkswaterstaat, Rijksgebouwendienst en ProRail werken nu al met verschillende systemen en gemeenten experimenteren met eenvoudiger methodieken. Iedereen wil graag toe naar een landelijk dekkend systeem, maar dat lijkt nog ver weg.

Landelijk dekkend systeem nog ver weg

De Rijksopdrachtgevers hebben al drie systemen naast elkaar in uitvoering; de Rijksgebouwendienst (RGD) en Rijkswaterstaat (RWS) zijn nog bezig de databank te vullen, maar hebben wel de intentie prestaties uit het verleden vanaf volgend jaar te gebruiken bij de selectie. ProRail heeft al een paar jaar een eigen manier van meten van prestaties. Toch hebben de grote rijksopdrachtgevers onderling regelmatig contact en hebben zij de intentie uitgesproken om uiteindelijk tot één vergelijkbaar meetsysteem te komen.

De rijksmethode is te ingewikkeld, oordeelden de zestien Noord-Hollandse gemeenten die vanaf dit voorjaar een eigen vargenlijst invoeren. Daarnaast gloort in de Achterhoek hoop voor een iets ander initiatief, terwijl diverse grote gemeenten overwegen een methodiek in te voeren zoals van RWS.

Ook de gemeentelijke initiatiefnemers hebben de hoop dat binnen vijf jaar een landelijk dekkend systeem kan werken. Vooralsnog bloeien duizend bloemen, want het meewegen van goede samenwerking en prestaties gaat gepaard met veel haken en ogen.

De pretenties van Noord-Holland gaan minder ver, want de uitkomsten worden gebruikt zoals bij een hotel-waarderingssite en vooral bij het uitnodigingsbeleid van onderhandse aanbestedingen. De beoordelingen zijn overigens alleen in te zien voor de deelnemende gemeenten. Een systeem van ‘naming and shaming’ is juridisch praktisch onmogelijk en is helemaal niet de opzet.

Allereerst is het bijhouden van een zwarte lijst met slecht presterende bouwers verboden volgens de Europese regelgeving. Het bijhouden van een witte lijst met goede prestaties is wel toegestaan, maar deze mag alleen worden gebruikt bij het selecteren van geschikte kandidaten voor een inschrijving en niet als gunningscriterium. Afhankelijk van de opdracht zijn dat vaak drie tot vijf marktpartijen. Het is dan een logische gedachte dat opdrachtgevers goed presterende bouwers een streepje vóór geven bij een nieuwe opdracht. De haken en ogen kleven aan de vraag hoe je nu meet wat goede prestaties zijn, zonder appels met peren te vergelijken.

Vragenijsten

Zonder uitzondering kiezen de opdrachtgevers voor vragenlijsten. Bij RWS gaan de partijen elkaar beoordelen op samenwerking, maar bij de RGD en ProRail velt de opdrachtgever een oordeel over de markt.

Ook de gemeenten in Noord-Holland zijn van plan eenzijdig een oordeel te geven over samenwerking, maar bieden de marktpartij wel ruimte voor een nawoord. Ongeacht van de gekozen methode is vervolgens de vraag wat je gaat doen met die gegevens.

RWS weegt de uitkomsten per kwartaal en laat de laatste beoordeling steeds zwaarder meewegen. De uitkomsten worden ondergebracht in een databank, maar daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de zwaarte van de contracten, dus een onderhoudscontract weegt even zwaar mee als een dbfm-contract van 1 miljard euro.

Gemeenten zien ook wel iets in de trend van prestatiemetingen en proberen op eigen manieren het wiel weer uit te vinden. Dat is logisch, want het model van de grote opdrachtgevers met contracten van honderden miljoenen euro’s past niet een op een op de gemeentelijke praktijk waarbij rotondes, groenwerk en gemalen de boventooon voeren bij de infra-opdrachten. Ook daar dringt zich dan de vraag op of de incidentele uitvoering van een nieuwe weg of ingewikkelde klus zwaarder moet meewegen. Vooralsnog is dat niet het geval.

Maar wat nu als de gemeente Haarlem gaat werken met de uitkomsten van Heemstede en Zutphen de uitkomsten van Rijnwaarde? De kans is dan wel heel groot dat appels met peren worden vergeleken, ook al wordt gewerkt met een zelfde vragenlijst. Daarop staan meestal vragen over samenwerking, tegenwerking, oplossingsgerichtheid en meerwerk. De beoordeelaars zijn verschillend en hebben andere argumenten bij het invullen van zo’n lijst.

Conclusies

Evenals bij hotelwaarderingen trekken de aanbestedende diensten hun eigen conclusies en kunnen precies zien wie en voor welke opdracht de lijst is ingevuld. Het idee is de uitkomsten te gebruiken bij het uitnodigen van partijen voor onderhandse opdrachten. De selectie daarvan is nu vaak een ‘black box’ en dan is zo’n waarderingssysteem nog niet zo gek als richtinggevende indicator. Aanbestedende diensten moeten hun keuzes volgens de nieuwe Aanbestedingswet steeds kunnen uitleggen en beargumenteren.

De bouwers met goede cijfers zullen waarschijnlijk tevreden zijn, maar wat als je steeds wordt uitgesloten van deelname op basis van slechte cijfers en je het helemaal niet eens bent met die slechte waardering. Dan stap je naar de rechter en de kans is groot dat die de opdrachtgever ter verantwoording roept over de beoordeling. Die moet vervolgens goede argumenten op tafel kunnen leggen, anders sneuvelen alle prille initiatieven.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels