nieuws

Compensatie voorkomt niet altijd overtreding van Flora- en Faunawet

bouwbreed

Hanneke Ellerman De Raad van State heeft onlangs een voor bouwers en ontwikkelaars belangrijke uitspraak gedaan over de bescherming van flora en fauna in Nederland. Die uitspraak zorgt ervoor dat zij voor veel projecten weer een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig hebben. Dat zal lang niet altijd mogelijk en in ieder geval niet eenvoudig zijn.

Begin van dit jaar heeft onze hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘RvS’), een aantal tussenuitspraken gedaan waarin kritische opmerkingen zijn gemaakt over de werkwijze van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (‘EL&I’) bij de behandeling van aanvragen voor ontheffing op grond van de Flora- en faunawet ten behoeve van bouwprojecten.

Die werkwijze hield kort gezegd in dat de ontwikkelaar van een project dat mogelijk gevolgen heeft voor (verblijfplaatsen van) beschermde plant- en/of diersoorten, bij de ontheffingsaanvraag ook een plan indient waarin compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen zijn opgenomen waarmee wordt voorkomen dat de verboden uit de Flora- en faunawet met betrekking tot het verstoren (dat geldt ook voor vernielen/vernietigen/doden) van (verblijfplaatsen van) beschermde soorten wordt voorkomen.

De Dienst Regelingen beoordeelde de voorgestelde maatregelen en als die naar zijn oordeel voldoende waren om te voorkomen dat verstoring zou plaatsvinden, stuurde de Dienst Regelingen de ontwikkelaar een brief dat door de werkzaamheden geen beschermde soorten worden verstoord en er dus geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist. In de praktijk werd dit een “positieve afwijzing” genoemd: de ontheffingsaanvraag werd afgewezen omdat er geen overtreding van de Flora- en faunawet plaatsvindt en het project dus zonder ontheffing kan worden uitgevoerd.

Door die werkwijze van Dienst Regelingen heeft de RvS in een einduitspraak van 11 juli 2012 nu definitief een streep gehaald. De RvS overweegt in deze uitspraak dat die werkwijze alleen gehanteerd kan worden als met de voorgestelde maatregelen ook wordt voorkomen dat de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet worden overtreden. Als door de uitvoering van het project bijvoorbeeld een vaste verblijfplaats van een beschermde soort wordt vernietigd en de compenserende maatregelen inhouden dat op een andere plaats een vervangende verblijfplaats wordt aangelegd, wordt volgens de RvS de Flora- en faunawet overtreden en is voor de uitvoering van het project dus een ontheffing nodig. Dat een vervangende verblijfplaats wordt aangelegd kan een reden zijn om die ontheffing te verlenen, maar die ontheffing is dus wel nodig.

Overtreding

Dat lijkt een logische uitspraak en de Dienst Regelingen heeft in een nieuwsbericht van 7 augustus 2012 dan ook aangegeven zijn werkwijze daarop aan te passen en de beoordeling van aanvragen om ontheffing voor ruimtelijke projecten aan te scherpen.

Dat betekent dat bij de aanvraag een plan zal moeten worden gevoegd met maatregelen die ervoor zorgen dat overtreding van de Flora- en Faunawet daadwerkelijk wordt voorkomen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Als er bijvoorbeeld op de plaats waar een gebouw wordt neergezet, een vaste verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is, zal die verblijfplaats daar weg moeten. En daarvoor is dus een ontheffing nodig, ook al wordt er even verderop een vervangende verblijfplaats aangelegd.

Zeker als het gaat om zogenaamde “strikt beschermde soorten” zoals vleermuizen, poelkikkers en rugstreeppadden, zijn de mogelijkheden om een ontheffing te verlenen beperkt. Dat was nu juist de aanleiding voor de hiervoor beschreven werkwijze van Dienst Regelingen waar de RvS nu dus een streep door heeft gehaald. Voor verstoring van strikt beschermde soorten kan alleen ontheffing worden verleend als met de uitvoering van het project waarvoor de ontheffing wordt gevraagd zwaarwegende maatschappelijke belangen (in de woorden van de Flora- en faunawet: dwingende redenen van groot openbaar belang) zijn gemoeid. Dat zal lang niet altijd het geval zijn. Bovendien zal deze uitspraak door bezwaarmakers worden aangegrepen om te proberen de uitvoering van hen onwelgevallige projecten tegen te houden. De uitspraken van de RvS stellen de praktijk dan ook voor nieuwe uitdagingen bij de uitvoering van ruimtelijke projecten.

Hanneke Ellerman is advocaat omgevingsrecht bij Houthoff Buruma

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels