nieuws

Jan de Nul lijdt onder onervarenheid personeel

bouwbreed

Onervarenheid van zijn jonge medewerkers breekt Jan de Nul op. De Belgische baggeraar heeft de afgelopen jaren veel nieuwe mensen aangenomen waardoor de balans tussen jonge en ervaren krachten is verstoord.

De jonge mensen dragen verantwoordelijkheid voor de vloot en de uitvoering van projecten terwijl hun ervaring beperkt is. Een pijnpunt voor de snel gegroeide organisatie, stelt de raad van bestuur in het jaarverslag over 2010.

“De andere en meer ervaren staff”, zo formuleert deze raad, “moet en blijft dan ook een tandje bijzetten om dit groeiproces onder controle te houden en de investeringen die de motor zijn van deze groei optimaal te laten renderen.”

Met een gemiddelde leeftijd van 38 jaar heeft Jan de Nul een relatief jong personeelsbestand. Vorig jaar kwamen er netto weer 382 werknemers bij, waaronder de vijfhonderdste ingenieur. Wereldwijd waren bij Jan de Nul op 31 december 2010 5416 mensen in dienst.

Omzet

De onderneming zag afgelopen jaar de hoeveelheid werk slinken door het opdrogen van traditionele kernmarkten. De omzet kwam uit op 1,8 miljard euro. Dat is 300 miljoen euro minder dan in 2009.

De brutowinst daalde van 493 miljoen euro in topjaar 2009 naar 374 miljoen euro vorig jaar. De nettowinst kwam uit op 113 miljoen euro, tegen 253 miljoen euro in 2009.

Deze relatief nog forsere daling schrijft het bedrijf grotendeels toe aan hogere afschrijvingen als gevolg van het forse investeringsprogramma.

Negen nieuwe schepen werden opgeleverd. Daarvoor was extra personeel nodig nog voordat deze schepen operationeel werden. Ook dat drukte op het budget, zo verklaart Jan de Nul.

Overgangsjaar

Het bedrijf beschouwt 2010 als een overgangsjaar. Nieuwe groeimarkten worden succesvol betreden waardoor de orderportefeuille eind 2010 was gegroeid tot 3,1 miljard euro. Eind 2009 stond in het orderboek voor niet meer dan 2,6 miljard euro aan werk.

De daling van het omzetaandeel van projecten in Azië en het Midden-Oosten zette vorig jaar door. De teller kwam op 24 procent te staan. In 2009 was het nog 49 procent en in 2008 70 procent.

Terwijl de Aziatische klandizie de draad weer oppakt, blijft de markt in het Midden-Oosten aan belang verliezen. Azië behoort nu samen met Australië en Latijns-Amerika tot de groeimarkten. Het Europese aandeel blijft stabiel.

Ook Afrika blaast de laatste jaren een aardig partijtje mee. Jan de Nul ziet een Afrikaanse markt van havenwerken. Deze werken worden in veel gevallen vanuit andere landen gefinancierd.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels