nieuws

achtergrondVerzet tegen plan havengebied Amsterdam

bouwbreed

De Amsterdamse gemeenteraad neemt morgen een definitief besluit over de Structuurvisie Amsterdam 2040. Op de valreep ageert het bedrijfsleven tegen de bouw van nieuwe woonwijken en de gedwongen verplaatsing van bedrijven in het Westelijk Havengebied.

1. Centraal Station

2. Coentunnel

3. IJ

4. Woningbouw eventueel gecombineerd met werken (geel)

5. Kantoren (bestaand, Shell-terrein) (oranje)

6. Noorderijplas, wordt stadspark

7. Westergasfabriek (park)

8. Werkplekken (kantoren)

Een vitale haven wordt in zijn ontwikkeling bedreigd. Daarmee loopt Amsterdam een groot economisch risico, meent prof. Pieter Tordoir, hoogleraar economische geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Midden jaren negentig was Tordoir hoofd economische zaken bij de gemeente, daarna was hij gedurende acht jaar directeur beleidsadvisering van de Kamer van Koophandel Amsterdam.

Tordoir deelt de kritiek van het bedrijfsleven. In de haven van Amsterdam en de aangrenzende bedrijfsterreinen zijn honderden bedrijven gevestigd. Er werken naar schatting 30.000 mensen. Hun toekomst staat op het spel, meent de hoogleraar. “De gemeente kent in de voorstellen voor de nieuwe structuurvisie slechts twee smaken. Of transformatie van het hele havengebied ten oosten van de A10. Of de komst van woon-werkmilieus tot de grens met de Coen- en Vlothaven. Beide keuzes vragen om gedwongen verplaatsing van een groot aantal bedrijven. Het is vervolgens maar zeer de vraag of die bedrijven voor de regio kunnen worden behouden.”

De gemeente heeft berekend dat bij de meest verstrekkende transformatie een kleine 200 hectare nieuw bedrijventerrein, inclusief 70 tot 90 hectare voor kadegebonden bedrijvigheid, moet worden gevonden. Tordoir hekelt niet alleen het gebrek aan alternatieve vestigingslocaties in de omgeving van het Noordzeekanaal. Verplaatsing van bedrijven is volgens hem onbetaalbaar. “Verplaatsing van al die bedrijven kost zeker 750 miljoen euro. Dat moet worden terugverdiend uit de bouw van woningen en kantoren. Dat lukt niet. Ik hebben de stukken van de Dienst Ruimtelijke Ordening bestudeerd; er ontstaat mogelijk een tekort in de grondexploitatie van 2 miljard euro. Nu al zucht de gemeente onder grote tekorten. Dat risico moet de gemeente, ook al gaat het om een ontwikkeling over tien tot dertig jaar, niet nemen.”

Eerder is de hoogleraar voorstander van meer geleidelijke bestemmingswijziging. Hij maakt een vergelijking met het Oostelijk Havengebied. “Op een gegeven moment verlieten de havenbedrijven het gebied. Daarna was het een logische keuze om daar woningen te bouwen. Zo kan het ook in het Westelijk Havengebied gaan.”

Wethouder Maarten van Poelgeest van Ruimtelijke Ordening en Grondzaken benadrukt dat het gaat om een langetermijnvisie. Voor de komende tien jaar gaat Amsterdam verder met de ontwikkeling van de Houthavens op de zuidelijke IJ-oever en de transformatie van de Buiksloterham en het NDSM-terrein in Amsterdam-Noord. De bestaande afspraken met de bedrijven in de haven worden gerespecteerd, maar ook daarna moet de ontwikkeling van het zogeheten Waterfront worden voortgezet. Met mogelijk de bouw van een kleine 20.000 woningen.

“Amsterdam wil ook in de toekomst een bijzondere stad zijn; een aantrekkelijke vestigingsplaats voor nieuwe kennisintensieve bedrijvigheid. De jonge, talentvolle werknemers van de toekomst hebben behoefte aan nieuwe stedelijke woonmilieus. Dat weten we. We weten uit demografische gegevens ook dat de Amsterdamse regio blijft groeien. Om die groei te faciliteren moeten we absoluut verder met het Waterfront.” De diagnose van Tordoir dat de gemeente zich tegen de economische ontwikkeling keert, vindt hij niet juist. “Het is een achterhoedegevecht. Eerder heeft het bedrijfsleven zich verzet tegen transformatie van het Zeeburgereiland of de Buiksloterham. De stad moet zich aanpassen om aantrekkelijk te blijven. De bouw van Haven-Stad is een noodzaak.”

Van Poelgeest voelt zich wel degelijk verantwoordelijk voor de huidige bedrijvigheid. “Ook al gaat het om de lange termijn; het is belangrijk om tegenover het bedrijfsleven helder te zijn over onze bedoelingen. Voor de verplaatsing van die bedrijven zullen we een oplossing moeten vinden.” Hoe? Dat weet hij nog niet. “We hebben de tijd. Over twintig jaar zijn wellicht oplossingen haalbaar waar we nu nog niet aan denken.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels