nieuws

Vogelvrij en vleermuisvriendelijk bouwen

bouwbreed Premium

De aanwezigheid van een steenuil bezorgde een woningbouwplan in Ochten fikse vertraging. Na een relatief goedkope maatregel kon het bouwen toch weer doorgaan. Dankzij een oplossing van het ministerie van Landbouw (EL&I) hoeft de ontwikkelaar zich niet nog eens aan dezelfde steen te stoten.

Projectontwikkelaar Van Wanrooij werd begin dit jaar teruggefloten door het ministerie van EL&I. Van Wanrooij was al begonnen met het bouwen van woningen, maar had de in het gebied woonachtige steenuil over het hoofd gezien. De bouw werd stilgelegd: er moest eerst een nieuw leefgebied komen.

Enkele maanden later is het probleem opgelost. De steenuil krijgt een jachtgebied met water waar de beplanting wild mag groeien en muizen kunnen piepen. De maatregel zelf kost projectleider Wilbert de Bruyn niet eens zoveel. Toch baalt hij nog steeds van het voorval. De steenuil vertraagde zijn plan met 2,5 jaar: “In 2009, voor de crisis zouden we de huizen makkelijker verkopen. Het verlies in geld blijft moeilijk uit te drukken, maar het zal meer dan enkele tonnen zijn.”

Hop-over

Bouwers lopen vaker tegen dit soort problemen aan, weet Toon Zwetsloot van de Dienst Landelijk Gebied. Is het niet de steenuil of de ‘onverwachte’ vondst van een vleermuis dan is het wel de gesignaleerde modderkruiper of de gespotte heikikker die de planning van een gemiddeld bouwproject in de soep gooit. Met tal van deskundigen bedacht Zwetsloot een oplossing. Hij ontwikkelde documenten waarin staat hoe bouwers rekening kunnen houden met de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Belooft de bouwer de vleermuis bijvoorbeeld een ‘hop-over’ (zie foto) dan is de kans groot dat hij door mag bouwen: vleermuizen vliegen nu eenmaal graag uit de wind. Volgens Zwetsloot weten aannemers en uitvoerders zich nu vaak geen raad als ze op een beschermde diersoort stuiten. Er blijft altijd een soort van mist hangen: ‘‘we willen wel iets doen, maar is dat dan voldoende?” Ontwikkelaar De Bruyn herkent zich in dat verhaal. “Zelfs adviseurs denken onderling anders over de maatregelen die per diersoort het beste zijn. Het is goed om te horen dat er nu objectieve criteria voor zijn. Wat zegt u? Veertig pagina’s per diersoort. Ik hoop niet dat we daarin dan weer verdwalen.”

Uniek

Zwetsloot adviseert ontwikkelaars pragmatisch met de ‘soortenstandaarden’ om te gaan. “En ik verwacht dat bouwers zelf samenvattingen maken van de voor hun belangrijkste informatie. Ze kunnen zich hier een hoop ellende mee besparen.”Hoe vang je een grote modderkruiper? Hoe spaar je levens van bittervoorn? Het valt allemaal te lezen in de tot nu toe zes gepubliceerde richtlijnen. Er zijn er nog eens acht in de maak en daarna volgt misschien nog een soortenstandaard voor de Noorse woelmuis.

Wat als de ontwikkelaar een ander diertje tegenkomt? Heeft hij dan pure pech? Een beetje wel erkent Zwetsloot, hoewel hij er direct aan toevoegt dat het onbegonnen werk is om voor elk soort een soortenstandaard te schrijven. Tegen de natuurbeschermer die expres zeldzame plantjes of beestjes uitzet om bouwplannen te frustreren is geen enkel kruid gewassen, ziet ook ontwikkelaar De Bruyn. “Je hoort dat weleens, maar ik weet niet of dat veel voorkomt. Het is wel een uiterst doeltreffend middel om een bouwplan op te houden”, lacht hij bitter. De Bruyn is hoe dan ook blij met de oplossing van het ministerie. “Ik geef toe dat wij als ontwikkelaars niet pretenderen dat we met alle diertjes rekening zullen houden. Maar als je weet hoe dan willen wij wel maatregelen treffen.” Hij herinnert zich nog al te goed de steenuil in Ochten. Hij zag hem nooit zelf, maar is ervan overtuigd dat hij er zit. “De kosten van de genomen maatregelen vallen in het niet bij de 2,5 jaar vertraging.”

Standaarden

Het ministerie van EL&I publiceerde donderdag zes ‘soortenstandaarden’. Daarin staat welke maatregelen ontwikkelaars moeten treffen voor beschermde diersoorten om door te kunnen bouwen. De eerste zes gaan over de soorten waar bouwers het meest mee te maken hebben: de heikikker, de rugstreeppad, de kamsalamander, de Bittervoorn en de kleine en de grote modderkruiper. Nog dit jaar volgen handleidingen voor de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de huismus, de buizerd en de gierzwaluw. Er zijn nog plannen voor de Noorse Woelmuis.

Reageer op dit artikel