nieuws

‘Daar gaat-ie weer, de hele dag al op en neer’

bouwbreed

‘Daar gaat-ie weer, de hele dag al op en neer’

Heien met een hand- of trekhei was ooit een van de meest arbeidsintensieve onderdelen in het Nederlandse bouwproces. De komst van de stoomhei – 150 jaar geleden – betekende een revolutie.

In Nederland werd stoomkracht voor het eerst op de bouwplaats gebruikt bij de
bouw van de spoorbruggen van Culemborg (1868) en Zaltbommel (1869) en de
Amsterdamse stoombierbrouwerij van Heineken (1866). De besparingen op
arbeidskosten waren spectaculair, want opeens waren geen twintig tot vijftig man
meer nodig om een kolossaal gietijzeren heiblok omhoog te hijsen en op de paal
te laten vallen. Eén man kon de door stoomwolken omgeven machine bedienen. De
stoomhei bij Zaltbommel had een blok van 1060 kilo en verrichtte 60 tot 65
slagen per minuut. Daarmee verzette de machine vier maal zoveel werk als een
gewone trekhei, waaraan een omvangrijke ploeg handarbeiders zich in het zweet
werkte. De hoge aanschafprijs van bijna 10.000 gulden voorkwam een onmiddellijke
algemene invoering. Maar het was duidelijk dat het oude handwerk te dode was
opgeschreven. Heien wordt al beschreven in boeken uit de dertiende eeuw, maar
pas in de zestiende eeuw doken de eerste heiers op schilderijen van
stadstaferelen op. De simpelste was de handhei, voor inheien van korte
damplanken en afrasteringen. Het ging daarbij om een houten blok van 30 tot 50
kilo met handvaten, waarmee twee of vier mannen het konden bedienen.

Borrel

Een trekhei gebruikte een zwaarder valblok. Dat werd opgehesen door een ploeg
heiers met behulp van een heitouw dat via een katrol bovenin een lange paal of
een driepoot werd gevoerd. Gewoonlijk maakten ze dertig slagen, waarbij de
voorman steevast bij de laatste twee slagen riep ‘Hoog is je bed!’ en ‘Strijk en
zet!’ Daarna kon de ploeg even uitblazen, soms met een borrel van de baas.
Optrekken en loslaten van het touw waaraan het blok was bevestigd, moest
gelijktijdig gebeuren. Daarom gaf de voorman-heier het ritme aan door het zingen
van liederen. ‘Hijsch op het block, te saem vereend/ Dat elck hier sijne
kraghten leent’ klonk het in een 17de-eeuws lied. Het stoten op een paal
inspireerde ook tot minder vrome versjes. Over Marie Troet bijvoorbeeld (‘Help
’s mee, help ’s mee/ Er zit een heipaal in mijn snee’). ‘Het heipalenlied’
bezong een 18-jarige dochter die met een heier was getrouwd. ‘Daar gaat-ie weer/
De hele dag al op en neer’ eindigend met ‘Hij kan niet meer/ Oh oh, wat doet
zijn piemeltje zeer!’ Aan dat stukje volkscultuur maakte de stoomhei definitief
een einde.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels