nieuws

Nationaal ruimtelijk beleid op het spel

bouwbreed Premium

Het regeerakkoord VVD-CDA besteedt welgeteld zeven regels aan het onderwerp ‘ruimtelijke ordening’

Hugo Priemus vreest dat de reductie van nationaal beleid de deuren opent voor speculanten.

Op de eerste zin van het regeerakkoord is weinig af te dingen: “In de ruimtelijke ordening vindt een integrale afweging plaats van verschillende belangen waarbij de besluitvorming zo transparant mogelijk gaat plaatsvinden en zo dicht mogelijk bij degenen die het direct aangaat”. Dit is bijna een definitie van ‘ruimtelijke ordening’, met dien verstande dat vaak het nageslacht het meeste baat heeft bij een goede maatregel van ruimtelijk beleid. En het nageslacht kan moeilijk direct bij de besluitvorming worden betrokken.
Dan volgen twee meer specifieke passages: “Het kabinet komt met voorstellen de ruimtelijke ordening meer over te laten aan provincies en gemeenten” en “Het toezicht en de regie op het gebied van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting gaan naar de provincies.”
In de paragraaf ‘Wonen’, lezen we: “Er komt meer ruimte voor kleinschalige bouwlocaties, ook in het Groene Hart, en (collectief) particulier opdrachtgeverschap”.
Veel wijst erop dat het kabinet Rutte ‘ruimtelijke ordening’ (evenals ‘volkshuisvesting’) wegzet als een linkse hobby die niet in de naam van een departement dient terug te keren. En dat nadat op het ministerie van VROM ook liberale bewindslieden als Ed Nijpels, Pieter Winsemius en Sybilla Dekker succesvol de scepter hebben gezwaaid.
Ruimtelijke ordening gaat op in het ministerie van Infrastructuur en Milieu, volkshuisvesting in dat van Binnenlandse Zaken.
Nederland is wereldberoemd door zijn doordachte nationale ruimtelijke ordening. Nationaal ruimtelijk beleid is ook voor sectorbeleid van belang, omdat synergie wordt nagestreefd tussen ruimtelijke ontwikkeling en woningbouw (groeikernenbeleid, Vinex-locaties), tussen ruimtelijke ontwikkeling en de natuur (Ecologische Hoofdstructuur, nationale landschappen), tussen ruimtelijke ontwikkeling en agrarische sector plus openluchtrecreatie (het Groene Hart, vitaal platteland, greenports) en de laatste jaren meer en meer tussen ruimtelijke ontwikkeling en infrastructuur (hoofdwegennet, spoorwegennet, transferia, binnenwaternetwerk).
In actuele concepten als ‘netwerkstad’ en ‘stedelijke netwerken’ komt de nagestreefde synergie tussen vastgoed, groenblauwe en infrastructuurnetwerken goed tot uitdrukking. Vrij recent verscheen het rapport van de commissie Veerman die voor Nederland een nieuw Deltaplan lanceerde waarin nieuwe relaties worden geïntroduceerd tussen ruimtelijke ordening en de wateropgave: versterking van de Hollandse Kust, Ruimte voor de Rivier, toekomst van het IJsselmeer.

Internationaal

Meer en meer moet het Nederlandse ruimtelijk beleid in een internationaal kader worden geplaatst (met name dat van de Europese Unie), zoals het Europese netwerk van hogesnelheidstreinen, het netwerk van Europese luchthavens, het mainport-, brainport- en greenportbeleid, de afstemming van de ruimtelijke inrichting van bovenstrooms en benedenstrooms gelegen gebieden langs Rijn, Maas, Eems en Schelde, en de ruimtelijke inrichting van het Noordzeegebied.
Niet alleen burgers, ook bedrijven hebben behoefte aan een consistent ruimtelijk beleid waarin milieudifferentiatie en biodiversiteit worden nagestreefd en waarin het vestigingsklimaat voor bedrijven en burgers wordt veiliggesteld, ook op langere termijn. Verstandige marktpartijen willen een nationaal ruimtelijk beleid dat houvast biedt.
Provincies, gemeenten, marktpartijen en civil societykunnen in dat beleid een belangrijke rol spelen. Uiteindelijk moeten de meer strategische afwegingen toch op nationaal niveau worden gemaakt, veelal in internationaal verband. Door de aangekondigde ontmanteling van het Fonds Economische Structuurversterking en het Meerjarenprogramma Investeringen voor Ruimte en Transport (MIRT) komen deze afwegingen, en de daarmee samenhangende investeringsprioriteiten, in gevaar. Er dreigt nu een transformatie van toekomstgerichte, duurzame investeringen naar uitgaven om budgettaire problemen op te lossen.
Een schrijnend voorbeeld van kortetermijnbeleid is de afspraak in het regeerakkoord dat Staatsbosbeheer 15.000 hectare natuur moet verkopen. Dat zal naar schatting 100 miljoen euro opleveren.
Gegeven de huidige functies zijn deze gronden in monetaire termen weinig waard. Deze percelen zijn commercieel aantrekkelijk als projectontwikkelaars die zich op de korte termijn richten, de kans krijgen hier woningen, recreatiecentra of bedrijfsgebouwen te bouwen. Reductie van nationaal beleid vergroot onzekerheden en biedt kansen voor speculanten. Marginaliseren van nationaal ruimtelijk be-leid zet de sluizen open voor com-merciële vormen van ruimtegebruik die ten koste gaan van door burgers hooggewaardeerde, nauwelijks vervangbare ruimtelijke functies.
Het is van groot belang dat het kabinet de strategische betekenis van nationaal toekomstgericht ruimtelijk beleid, inclusief een effectief nationaal kader voor het te voeren grondbeleid, spoedig zal herontdekken.
Technische Universiteit Delft

Reageer op dit artikel