nieuws

Aparte werelden

bouwbreed

“Investeren in hoger onderwijs = investeren in bouw en infra”, luidde de titel van een bijeenkomst die Bouwend Nederland kort voor de zomer organiseerde. Belangrijkste doel: een betere samenwerking tussen onderwijs en bouwpraktijk. De veertien hogescholen in Nederland met opleidingen in bouw en infra(studierichting Bachelor of Built Environment; BBE) telden in 2009 ruim 12.000 studenten. Jaarlijks worden tussen de 2.000 en 3.000 BBE-diploma’s uitgereikt. Het hbo is daarmee verreweg de belangrijkste opleider van kader in de bouw, zeker voor de mkb-bedrijven.

Bouw- en infrabedrijven en het onderwijs willen graag samenwerken, maar
kunnen elkaar moeilijk vinden. Dat heeft volgens Marieke van der Post-Maas en
Frens Pries verschillende oorzaken. “Investeren in hoger onderwijs is gelijk aan
investeren in bouw en infra”, luidde de titel van een bijeenkomst die Bouwend
Nederland kort voor de zomer organiseerde. Belangrijkste doel: een betere
samenwerking tussen onderwijs en bouwpraktijk. De veertien hogescholen in
Nederland met opleidingen in bouw en infra (studierichting Bachelor of Built
Environment; BBE) telden in 2009 ruim 12.000 studenten. Jaarlijks worden tussen
de 2000 en 3000 BBE-diploma’s uitgereikt. Het hbo is daarmee verreweg de
belangrijkste opleider van kader in de bouw, zeker voor de mkb-bedrijven.
Onderwijs en bouwpraktijk lijken vaak twee aparte werelden. Zo leven bij bouw-en
infrabedrijven vooroordelen als “hbo’ers leren tegenwoordig niks meer” of “ze
weten niets over de praktijk”. Omgekeerd heeft het onderwijs ook commentaar op
de bedrijven: “Als de arbeidsmarkt krap is, willen ze graag samenwerken. Maar
als het even iets slechter gaat in de bouw, zien ze ons niet meer staan”. Beide
partijen willen wel graag samenwerken, maar kunnen elkaar moeilijk vinden. Dat
heeft verschillende oorzaken.

Consequenties

Twintig jaar geleden ging 20 procent van de jongeren naar het hbo. Dat
percentage is nu ongeveer verdubbeld en dat heeft consequenties. Het aantal
wekelijkse contacturen tussen studenten en docenten is gedaald van 32 naar 15.
Natuurlijk zijn ook de lesmethoden aangepast, maar het geeft wel een trend weer.
Daarnaast zijn docenten steeds meer met het onderwijsproces en steeds minder met
de vakinhoud bezig. Dat heeft geleid tot veel bureaucratie en versplintering.
Ook de bouw verandert razendsnel. Het bouwproces is gefragmenteerd, 50 cent van
elke euro gaat inmiddels naar beheer en onderhoud, duurzaamheid is belangrijk.
En ook de bouw kent een toenemende bureaucratie. In deze steeds complexer
wordende omgeving is er budget voor confectie-onderwijs, terwijl maatwerk
noodzakelijk is. Vroeger moest je als bouwer vooral verstand hebben van een
tientonmeterkraan of een balk kunnen dimensioneren. Tegenwoordig moet je je ook
bezighouden met contractvormen, risicomanagement, vergunningen, system
engineering, etc. Er zijn in de bouw allerlei specialistische functies ontstaan
en het onderwijs heeft zijn aanbod daarop aangepast. Door de grotere variatie
aan functies in bedrijven zijn er allerlei snijvlakopleidingen ontstaan. Toch
kiezen bedrijven uiteindelijk de mensen met een traditionele bouw- of
civieltechnische opleiding, want “mensen met een gespecialiseerde opleiding
zouden toch net niks kunnen”. Onderwijsinstituten moeten keuzes maken, vinden
wij, en niet als lemmingen achter elkaar aanlopen en alles willen aanbieden. Dat
doen universiteiten ook, en dat werkt. Het zou kunnen betekenen dat hogescholen,
in samenwerking met de regionale bedrijven, verschillende opleidingen aanbieden;
het liefst na een degelijke basisopleiding. In elk geval is een structurele
samenwerking tussen het onderwijs en de bouwpraktijk van wezenlijk belang. De
vraag is op welke manier je die samenwerking vorm kunt geven. Dat kan
bijvoorbeeld door de beroepenveldcommissie meer statuur te geven. Elke studie
aan de hogeschool heeft zo’n commissie. De deelnemers zijn mensen uit de
praktijk en uit de school. De hogeschool krijgt zo rechtstreeks advies vanuit
het werkveld en kan haar curriculum verbeteren. Het lijkt een ideale situatie.
Toch ligt het niet zo eenvoudig. De beroepenveldcommissie heeft vaak geen
formele status, de invulling is overal anders en het advies is vaak
vrijblijvend. Leden van beroepenveldcommissies weten vaak niet goed waar ze aan
toe zijn. Met als gevolg dat ze nauwelijks weten wat er met adviezen gebeurt en
hun interesse van korte duur is.

Spil

Willen we de beroepenveldcommissies tot spil maken van de zo gewenste
structurele samenwerking, dan zou de Hoger Onderwijsgroep (HOG) Bouw en Ruimte
hierin een rol kunnen vervullen. De HOG zou richtlijnen kunnen maken voor de
beroepenveldcommissies zodat zij beter herkenbaar worden als schakel tussen
school en praktijk.Belangrijk is in elk geval dat de beroepenveldcommissies meer
formele status moeten krijgen. Ze moeten concrete afspraken maken met het
instituut en actief kunnen meewerken in de uitvoering van de
onderwijsverbetering. Via de praktijkleden van de beroepenveldcommissie kan een
meer structurele samenwerking tussen onderwijs en praktijk gestalte krijgen
doordat een bedrijf een onderwijsmodule adopteert, afstudeerders begeleidt, zelf
gastlessen organiseert of docenten coacht. Belangrijk is in elk geval dat de
beroepenveldcommissie voorbij het punt van vrijblijvend advies komt. Dan zal het
onderwijs veel plezier hebben van deze schakel met de beroepspraktijk! Auteurs
zijn respectievelijk werkzaam bij Bouwend Nederland en Hogeschool Utrecht

Reageer op dit artikel