nieuws

‘Hoog tijd voor dwingende Europese energienormen’

bouwbreed Premium

De rijksoverheid moet structureel investeren in energiebesparingsprogramma’s voor de gebouwde omgeving, want anders halen we onze klimaatdoelstellingen voor 2020 nooit, gelooft vertrekkend ISSO-directeur Jaap Hogeling

Hij blijft actief om een andere sleutelvoorwaarde te realiseren: dwingende Europese energieprestatienormen.
Hogeling (63) ziet de slappe opstelling van het kabinet en het gebrek aan Europese slagkracht als nagels aan zijn doodkist. Na 32 jaar met succes als ISSO-baas te hebben gewerkt aan normatieve richtlijnen voor gebouwinstallaties, zou dit niet gaan lukken? Hogeling: “Het kabinet hanteert een doelstelling van twintig procent duurzame energie in 2020, tegen 4 procent op dit moment. Aangezien de gebouwde omgeving verantwoordelijk is voor 40 procent van het energiegebruik moet je daarom bij de consument komen met serieuze plannen: feed-in tarieven voor bevordering van hernieuwbare energie, ontwikkeling van ‘smart grids’ die energiegebruik automatisch sturen en duidelijke afspraken over teruglevering aan het net. Want daarover willen consumenten die hebben geïnvesteerd in warmtepompen, zonnepanelen of een hre-ketel duidelijkheid. En er moet structureel subsidie komen voor zonnepanelen, want tijdelijke regelingen zetten geen zoden aan de dijk. Af en toe een piekje maakt geen efficiënte bedrijfsvoering mogelijk voor de producent.” Het is niet alleen van belang voor een duurzame energie-infrastructuur, maar ook voor een duurzaam rendement van de installatiebranche.
De huidige aandacht voor innovatieve energiesystemen voor gebouwen is de apotheose van een ontwikkeling die decennia geleden begon uit een groeiende behoefte aan kennis bij installatiebedrijven. De oprichting van ISSO als kennisinstituut voor de branche moest zorgen voor bundeling van kennis, om die praktisch bruikbaar te maken voor bedrijven. Toen de jonge werktuigkundig ingenieur in 1978 aantrad, was hij de enige werknemer. Nu heeft ISSO ruim twintig vaste werknemers. Het tekent de hoge vlucht die de kennisontwikkeling in de installatiebranche heeft genomen. “Toen ik aantrad ontbraken technische richtlijnen waarnaar je kon verwijzen bij aanbestedingen, maar ook bij rechtszaken. Wij zorgden ervoor dat die er kwamen”, vertelt Hogeling. Het leidde tot ruim honderd publicaties. “Als je die allemaal kent, kun je geen slechte installatie ontwerpen.”
In eerste instantie ging het vooral om airconditioning en verwarming, waarvoor ISSO toen nog dikke tabellenboeken uitbracht. Binnenklimaat – beleving van de ruimte – staat in de huidige praktijk hoog op de agenda. “In onderwijsgebouwen kan een verbetering van het binnenklimaat leiden tot 15 procent productiviteitsverbetering, blijkt uit internationaal onderzoek. We hebben het dus heel slecht geregeld voor onze kinderen. Ontwikkeling van natuurlijke én de toepassing van mechanische energiezuinige ventilatietechnieken is hierbij een geweldige uitdaging. Voor een groot deel bestaan al deze technieken, maar we moeten wel bereid zijn ze toe te passen en er dus in te willen investeren ten behoeve van de opgroeiende generatie.”
ISSO publiceerde recentelijk het Binnenklimaatprofiel, als aanvulling op het Energielabel. Ook op het gebied van preventie van legionella kwam ISSO, met belangrijke publicaties.
De oprichting tien jaar geleden van stichting KBI, het certificeringsinstituut voor installatiebedrijven, was een nieuwe mijlpaal. Heel belangrijk dat KBI er is, ook bij de huidige klimaatdoelstellingen, want daarvoor moeten miljoenen woningen worden gerenoveerd – “verduurzaamd”. Hogeling: “En als consument wil je dat de voorgespiegelde terugverdientijd van bijvoorbeeld zonnepanelen ook echt wordt gehaald. Als er een instelling achter staat die bij ondeugdelijk werk een certificaat kan intrekken, weet je waar je aan toe bent.”
Of de grote epc-operatie in Nederland en in de rest van Europa werkelijk het momentum gaat krijgen dat nodig is, vraagt Hogeling zich af. De manier waarop het kabinet en de Kamer zich opstelden ten aanzien van de invoering van Europese normen voor de energieprestaties van gebouwen (epbd) – zoeken naar uitstel en minimale invoering – baarde hem zorgen. Verplicht keuren van gebouwinstallaties kan volgens hem voor snelle reductie van energiegebruik leiden, omdat in tientallen procenten van de gebouwen installaties verkeerd worden gebruikt. Duurzaam onderhoud en beheer van gebouwinstallaties zal in dit verband meer aandacht moeten krijgen.
Als lid van drie technische commissies (thermische gebouweigenschappen, verwarming, ventilatie en airconditioning) van het Europese normalisatie-instituut CEN en voorzitter van de CEN-coördinatiegroep voor epbd-normen voelt hij eenzelfde wrevel over de terughoudendheid van veel Europese landen. Die willen de nieuwe EU-normen voor de energieprestaties van gebouwen niet volledig gebruiken. Vooral de oude Europese lidstaten houden erg vast aan hun eigen landelijke normen. Dat moet afgelopen zijn, vindt hij, alleen al omdat daarmee de verkregen energieprestaties moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. “Bouwregelgeving is volgens het Europees verdrag een nationale competentie van lidstaten. Maar waarom is het toch gelukt een Europese richtlijn voor constructieve veiligheid van bouwwerken af te dwingen, en zou dat niet kunnen voor energieprestatienormen? Dergelijke essentiële zaken moet je niet langer volledig overlaten aan lidstaten. Ik pleit ervoor dat er een algemene regelgeving op dit punt komt met daarin één overkoepelende berekeningsmethode voor energieprestaties. In een informatieve annex kun je die zaken regelen die verband houden met typisch nationale omstandigheden (klimaat) en tradities, dan is dat voor een ieder helder. “

Mandaat

Dat in Finland de manier waarop de energieprestatie van een bepaalde techniek, bijvoorbeeld een warmtepomp, op een andere wijze in de energieprestatie van een gebouw wordt gewaardeerd dan bijvoorbeeld in Italië is wat hem betreft onbestaanbaar en nadelig voor de Europese marktwerking.” Het is nu nodig dat de Europese Commissie CEN een tweede mandaat geeft om daar wat aan te doen, anders maken we de gewenste sprong voorwaarts nooit.”
De grote schoonmaak van de epbd-normen van de CEN, “die nu nog vol zitten met onnodige concessies tegenover elk van de 27 lidstaten”, moet ook een einde maken aan verborgen protectionisme voor nationale industrieën. Hogeling: “Universele normen helpen ook om een Europese industrie voor energiebesparende technieken van de grond te krijgen die op de wereldmarkt kan concurreren.” ■

Reageer op dit artikel