nieuws

Decaan TU Delft gaat met de pet rond

bouwbreed Premium

Een financiële impuls vanuit de sector moeten het onderwijs en onderzoek aan de TU Delft redden. Decaan prof. Louis de Quelerij van de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen besteedt veel tijd aan gesprekken met bedrijven in de hoop op een bijdrage.

De zogenaamde eerste geldstroom, de rijksfinanciering, wordt jaarlijks
minder. De afgelopen zes jaar zag De Quelerij hem teruglopen van 45 naar 31
miljoen euro. Daardoor komen de mogelijkheden voor onderzoek en onderwijs in het
gedrang. Bedrijven en organisaties zoals Rijkswaterstaat en de waterschappen
schieten te hulp met hun zogenoemde tweede en derde geldstroom. Ze hebben
allemaal belang bij wat in Delft gebeurt en vertalen dat bijvoorbeeld in de
financiering van bijzondere leerstoelen, begeleiding van studenten en promovendi
en de beschikbaarstelling van faciliteiten zoals hun laboratoria. Daarom komen
ze over de brug. En crisis of niet, nu de nood verder stijgt, zijn ze bereid
extra steun te geven. Extra bezuinigingen door het ministerie van Onderwijs
komen over de faculteit heen nu deze juist een forse groei doormaakt. “In zes
jaar tijd is de gewogen output van onderzoek verdubbeld, evenals de instroom van
studenten, dezelfde periode waarin de eerste geldstroom flink is geslonken.” De
verschillende civiele sectoren vangen een deel van de klap op. Nog meer steun
van de bedrijven moet nu de vernieuwingsplannen van de faculteit faciliteren,
waarbij desondanks een forse reorganisatie nodig blijft om de begroting sluitend
te krijgen. “Het jaar 2008 is met verlies afgesloten. In 2009 hebben we opnieuw
miljoenen minder gekregen terwijl de kosten 2 miljoen hoger uitvallen. Zonder
maatregelen komen we niet uit de problemen. De komende tweeënhalf jaar is voor
9,5 miljoen aan ombuigingen nodig. Een deel vangen we op met bezuinigingen.
Daarbij gaat het vaak om ingrijpende maatregelen. De besparingen moeten op
jaarbasis 6 miljoen euro opleveren.”

Bedrijfsleven

Voor het resterende bedrag worden de publieke en private sector om steun
gevraagd. “De ingenieursbureaus en aannemers vinden het alle belangrijk dat
Nederland zijn toonaangevende positie in de wereld behoudt.” De waterbouwers
zijn volgens de enige groep die al langere tijd bereid is in onderzoek te
investeren. Maar alles bij elkaar is het nog niet genoeg. ”De VBKO is de enige
brancheorganisatie waarmee we een overeenkomst hebben kunnen sluiten. In de
andere sectoren moeten we om de tafel met individuele toonaangevende bedrijven.
Vandaag heb ik er ook nog drie op de agenda staan”, zegt hij op deze vroege
maandagochtend. ”De baggeraars doen ontzettend veel maar een aantal andere
sectoren heeft nog niet zo heel veel geïnvesteerd.” Hij mikt erop daar het
laatste miljoen te vinden van de begrote circa 3,75 miljoen per jaar waarop hij
voor de komende vijf jaar wil kunnen rekenen. Liefst had hij ook met de andere
brancheorganisaties zoals Bouwend Nederland en NLingenieurs op brancheniveau
afspraken gemaakt maar dat is niet gelukt, zegt hij lichtelijk teleurgesteld. In
plaats daarvan benadert hij nu de grote spelers in de markt individueel. “Met
succes, zo zijn er toezeggingen van de zeven grootste bouwers en de acht
grootste ingenieursbureaus. Bij elkaar is 2,75 miljoen binnen van de 3,75
miljoen waarop hij mikt. De Quelerij noemt dat “boven verwachting”, zeker in een
tijd waarin het economisch niet mee zit. “Dit alleen al is een ongekend succes.
Niemand had gedacht dat het zou lukken.”

Voordeel

Hoewel uit nood geboren, ziet hij in het aanboren van meer inkomsten uit de
tweede en derde geldstroom ook een belangrijk voordeel: de faculteit en de
samenleving zoeken elkaar op. Bevindingen van onderzoekers krijgen meer kans op
toepassing in de praktijk en hoogleraren moeten meer kijken waar de
maatschappelijke behoeften liggen. De wetenschappelijke onafhankelijkheid wordt
niet te grabbel gegooid, verzekert hij. “Wie betaalt kan bepalen wat wordt
onderzocht maar niet hoe dat gebeurt en wat de resultaten zijn.”

Reageer op dit artikel