nieuws

Tijdelijke ontheffing bestemmingsplan moet echt tijdelijk zijn

bouwbreed

Het gaat in deze zaak (Voorzieningenrechter Rechtbank Groningen, 11 februari 2009, AWB 09/117 en 09/118) om de verlening van een reguliere bouwvergunning met tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan voor de bouw van een kinderdagverblijf.

Volgens het college van Ben W is er vanuit de wijk momenteel grote vraag naar
een kinderdagverblijf. Vooruitlopend op een eventuele toekomstige definitieve
voorziening, wordt het perceel gebruikt om te voorzien in deze tijdelijke
oplossing. De tijdelijkheid van de ontheffing is volgens het college dan ook
niet gelegen in de tijdelijke behoefte aan kinderopvang, maar in de tijdelijke
behoefte aan het plaatsen van zogenaamde ‘units’, in afwachting van het al dan
niet oprichten van een nieuw schoolgebouw annex kinderdagverblijf. In aanvulling
daarop legt het college uit dat de gemeente er bij de planning van de wijk
aanvankelijk vanuit ging dat deze wijk voornamelijk zou worden bewoond door
hoogopgeleiden zonder kinderen. Maar gebleken is dat in de wijk veel meer
kinderen zijn geboren dan verwacht. Daardoor is er een behoefte ontstaan aan
kinderopvangmogelijkheden in de wijk. Het college verwacht echter dat het gaat
om een tijdelijke ‘geboortegolf’ en dat daarom sprake is van een tijdelijke
behoefte.

Tijdelijk

De voorzieningenrechter volgt B en W niet in deze redenering. Verwezen wordt
naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 28.916, nr. 3, paragraaf
3.3.3, het latere artikel 3:22 Wro). Daarin staat dat art. 3.22 Wro nog iets
stringenter is geclausuleerd dan het oude art. 17 WRO. Volgens de rechter
betekent de nieuwe formulering van art. 3.22 Wro en hetgeen daarover staat
vermeld in de Memorie van Toelichting, dat in de motivering van het besluit tot
tijdelijke ontheffing dient te worden aangetoond dat na het verstrijken van de
te stellen termijn geen behoefte meer bestaat aan de voorziening die niet in het
bestemmingsplan past. In dit geval heeft het college dat niet voldoende gedaan.
Gebleken is juist, aldus de voorzieningenrechter, dat in de wijk een grote vraag
zal blijven bestaan naar kinderopvang en dat de gemeente plannen heeft om op het
perceel waar nu tijdelijk units zouden moeten worden geplaatst, op termijn een
school en een kinderdagverblijf op te richten. Deze ontwikkeling duidt eerder op
een permanente dan op een tijdelijke behoefte aan kinderopvang. Het betoog dat
er sprake zou zijn van een tijdelijke ‘geboortegolf’ acht de
voorzieningenrechter tegenstrijdig aan hetgeen het college in de stukken naar
voren heeft gebracht en onaannemelijk gelet op de uitbreidingsplannen in de
wijk. Voor het college van B en W bestond dan ook geen ruimte om een tijdelijke
ontheffing te verlenen.

jurisprudentie

Art. 3.22 van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) waarin de tijdelijke
ontheffing van het bestemmingsplan is geregeld, vervangt de tijdelijke
vrijstelling op grond van art. 17 van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening
(WRO). De oude en de nieuwe bepaling lijken op elkaar, maar verschillen op een
belangrijk punt. Anders dan bij art 17 WRO (oud) dient in de motivering van het
besluit tot tijdelijke ontheffing ex art. 3.22 Wro (nieuw) te worden aangetoond
dat na het verstrijken van de termijn geen behoefte meer bestaat aan de gewenste
voorziening.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels