nieuws

Maximumprijzen inzet rechtsgang

bouwbreed

Opdrachtverlening in verband met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voert vaak tot procedures.

De moeite van bespreken waard is het geding en zelfs appèl aanhangig gemaakt
door Careyn HZ BV (hierna: Careyn) over maximum(inschrijf)prijzen vastgesteld
door een aantal gemeenten in de aanbesteding. Bij het bepalen van deze
maximumprijzen hadden de gemeenten zich gebaseerd op de tarieven in andere
gemeenten en regio’s waarop zij een indexering voor 2009 hadden toegepast,
waarbij zij een zodanige schatting hebben gemaakt dat kosten, winsten en
risico’s die volgen uit de cao (waaraan het voldoen in het bestek verplicht was
gesteld), op het moment van aanbesteding binnen de maximumtarieven passen.
Careyn maakt bij zijn inschrijving een uitdrukkelijk voorbehoud met betrekking
tot de maximumprijzen.

Naast Careyn hebben vier andere partijen ingeschreven, grotendeels onder de
gestelde maximum uurtarieven. De gemeenten verklaren de inschrijving van Careyn
ongeldig wegens het voorbehoud, waarna Careyn naar de rechtbank Dordrecht stapt
(LJN: BG2100) die gemeenten in het gelijk stelt. Careyn gaat daarna in beroep
bij het Gerechtshof ‘s-Gravenhage (LJN: BH6192) met de vraag aan welke eisen de
aanbesteder nu eigenlijk moet voldoen bij het vaststellen van maximum
(inschrijf)prijzen. Het hof antwoordt dat marktonderzoek gedaan moet worden maar
stelt geen hoge eisen aan dat onderzoek en geeft aanbestedende diensten
uiteraard véél vrijheid.

Zo zijn de gemeenten, naar het oordeel van het hof “niet gehouden onderzoek
te doen naar de kostendekkendheid van de tarieven, laat staan dat zij de
maximumuurtarieven dienen te stellen op een hoogte die ertoe leidt dat zij voor
alle (bestaande) aanbieders kostendekkend zijn”. Volgens het hof zou de eis dat
de maximumprijzen voor een ieder kostendekkend zijn “geen enkel kostenbesparend
effect hebben”. Hoewel de gemeenten onderzoek moeten verrichten, zijn zij op
basis van dat onderzoek, volgens het hof, “evenmin (…) gehouden maximum
uurtarieven te hanteren die marktconform zijn.”

Volgens het hof mochten de gemeenten proberen invloed uit te oefenen op de
prijsstelling van de aanbiedende partijen. Verder hoeven de gemeenten de vraag
of de aanbieders bij de maximum uurtarieven de cao kunnen naleven niet bij hun
onderzoek te betrekken, ook al moeten de inschrijvers in hun inschrijving
verklaren dat zij de cao zullen naleven. Het hof vindt verder van belang dat
vier andere inschrijvers zich hebben ingeschreven die de maximum uurtarieven wel
accepteren; hieruit blijkt dat de tarieven niet van elke realiteitszin zijn
ontbloot.

Overigens worden, indien het zo zou zijn dat dit laatste niet het geval was
en de gehanteerde maximum uurtarieven niet voor alle inschrijvers (volledig)
kostendekkend zouden zijn, volgens het hof de tarieven daardoor nog niet
onredelijk of onzorgvuldig. “Uitgangspunt van de marktwerking is dat het aan de
inschrijvers is om te bepalen of zij aan een aanbesteding wensen mee te doen of
niet.” De redenering van het hof komt er op neer dat indien een aanbestedende
dienst onredelijke eisen stelt de markt met haar voeten zal moeten stemmen,
zoals Careyn ook heeft gedaan. De rechter is niet genegen de proportionaliteit
te beoordelen, het is de verantwoordelijkheid van de markt op een zodanig bestek
niet in te schrijven. Wij achten het aanbestedingsrechtelijk de enige juist
beslissing de concurrentie, ook al gaat het om onredelijke voorwaarden, bij de
markt te laten. Inkooptechnisch stellen wij ons echter de nodige vragen bij het
doel en nut van het opstellen van zulke ‘vechtcontracten’.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels