nieuws

Nederlandse woningbouw door Engelse bril

bouwbreed

Nederlandse woningbouw door Engelse bril

Wat kunnen we leren van de manier waarop wij in Nederland de afgelopen jaren kwalitatief hoogstaande woningbouw hebben ontwikkeld? Een Engelse studie spiegelt onze lessen van de afgelopen jaren. Jan den Boer pleit voor het behoud van de gevonden balans.

De architectonische kwaliteit van woningen in Engeland is volgens The Royal
Institute of British Architects extreem teleurstellend. Volgens één onderzoek
zou 80 procent van de nieuwe woningen onder de maat zijn, een ander onderzoek
beoordeelde 90 van de 93 onderzochte projecten als gemiddeld of matig. In
Nederland daarentegen wordt de architectonische kwaliteit van woningen veel
positiever beoordeeld. Volgens onderzoek van het ministerie van VROM is 92
procent van de nieuwe woningen goed of erg goed en slechts 2 procent van slechte
kwaliteit. Voor de Engelsen een goede reden om te gaan kijken wat ze van
Nederland kunnen leren. Matthew Cousins schreef hierover het boek Design Quality
in New Housing, learning from the Netherlands. Het is natuurlijk heel boeiend om
vanuit Engelse ogen te ontdekken waarom wij het zo goed doen. Maar eerst moet de
vraag worden beantwoord wat volgens de definitie van dit boek goede architectuur
is. Omdat juist in Nederland de meningen over goede architectuur tussen de
ontwerpelite en de consument sterk uiteen kunnen lopen. De schrijver is
architect, en lijkt in eerste instantie vooral vanuit de bekende Nederlandse
architectuur standpunten te schrijven. Uitgebreid citeert hij uit de kritieken
op Vinex, zoals bijvoorbeeld geformuleerd in de jaarboeken architectuur van het
NAi en het tijdschrift Archis. Deze door orthodox modernisten gedomineerde media
waren lang negatief over Vinex. Ook de staatsarchitectuur, kritiek van Carel
Weber, komt natuurlijk terug. Een Nederlandse architect, Jonathan Woodroffe,
wordt geciteerd: slechts 1 procent van wat hier wordt gebouwd is avant-garde, de
rest is vrij gewoon, en heeft geen hoge kwaliteit. Kortom, alleen avant-garde is
architectonische kwaliteit. Elders schrijft Cousins lovend over het
ontwikkelingsteam van Vathorst, dat zich niet laat verleiden om zonder meer de
smaak van de consument te volgen en alleen woningen in klassieke stijl te
bouwen, maar ook te gaan voor de hogere principes van ontwerpkwaliteit door het
bouwen van contemporaine of moderne woningen en het risico te nemen dat deze
minder goed worden verkocht omdat zij minder gewild zijn.

Kwaliteit

Cousins beperkt zich echter niet tot de bekende Nederlandse
architectuurkritiek, maar onderzoekt zelf ook een aantal Vinex-locaties zoals de
Leidsche Rijn en Vathorst. Hij constateert dat deze kunnen worden gezien als
voorbeelden van succesvolle ontwerpkwaliteit. Dezelfde beweging zien we
natuurlijk ook in Nederland, waar de Vinex-wijken de laatste jaren een steeds
positievere beoordeling krijgen. Wat kunnen we leren van deze verschuiving?
Cousins constateert uit zijn onderzoek dat een te grote invloed van de markt
zoals in Engeland tot matige kwaliteit heeft geleid, maar dat een te grote
overheidsinterventie het risico heeft te weinig aan de wensen van de consument
te voldoen. Hij pleit dan ook voor het vinden van een goede balans tussen
overheidsinterventie en de invloed van de consument op het ontwerp. Recente
projecten in Nederland zoals het oostelijk havengebied (Java-eiland,
Borneo-Sporenburg) zijn voor hem projecten van grote kwaliteit. Deze kwaliteit
is bereikt door in een vroeg stadium te werken met een multidisciplinair team,
waarin zowel overheid als ontwikkelaars zijn vertegenwoordigd. Belangrijk is dat
er duidelijke procedurele afspraken zijn over de kwaliteitseisen en hoe die
moeten worden bereikt. Daarin zijn het instellen van een kwaliteitsteam en/of
het aanstellen van een supervisor en het maken van een beeldkwaliteitsplan
belangrijke elementen om kwaliteit te bereiken. Ook regelmatig onderzoek naar de
kwaliteit onder woonconsumenten zoals dat in Nederland wordt uitgevoerd, draagt
bij aan de door de Engelsen bewonderde Nederlandse woningkwaliteit. Veel
overheidsinvloed vanaf de woningwet uit 1901 tot het creëren van het wereldwijd
eerste nationale architectuurbeleid in de jaren 90 van de vorige eeuw hebben
volgens Cousins bijgedragen aan de hoge woningkwaliteit in Nederland. Engeland
kent nog niet zo’n nationaal architectuurbeleid. Een belangrijke conclusie is
dat ontwerpkwaliteit een essentieel onderhandelingsinstrument moet zijn bij het
ontwerpen van woningen, en dat deze kwaliteit is te bereiken door integrale
samenwerking en duidelijke procedures zoals deze in Nederland zijn ontwikkeld.
Het kan voor ons Nederlanders goed zijn om vanuit deze Engelse spiegel te kijken
naar onze ontwerppraktijk. De Vinex periode wordt binnenkort afgesloten, maar de
toekomstige woningbouwopgave is nog groot. De kunst is om vanuit de juiste
balans te blijven werken tussen overheid en markt, tussen avant-garde en
consumentenwensen, zijn kwaliteit en financiële belangen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels