nieuws

Vrijstelling Flora- en faunawet onterecht

bouwbreed

Het project Zuidpolder-Oost behelst de bouw van 1050 woningen, de aanleg van infrastructuur, groenvoorzieningen, stedelijk water en een begraafplaats en de realisatie van een woonzorgcentrum met 150 zorgwoningen. Aanleiding voor het verzoek om ontheffing is de geconstateerde aanwezigheid van de rugstreeppad in het betrokken gebied. Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft de minister de […]

Het project Zuidpolder-Oost behelst de bouw van 1050 woningen, de aanleg van infrastructuur, groenvoorzieningen, stedelijk water en een begraafplaats en de realisatie van een woonzorgcentrum met 150 zorgwoningen. Aanleiding voor het verzoek om ontheffing is de geconstateerde aanwezigheid van de rugstreeppad in het betrokken gebied. Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft de minister de gevraagde ontheffing verleend. Aan dit besluit heeft de minister het belang van de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Vrijstellingsbesluit, ten grondslag gelegd.
Uit artikel 75 van de Ffw wordt duidelijk dat bij de beoordeling van de vraag of een ontheffing kan worden verleend, een dwingend en beperkt toetsingskader dient te worden gehanteerd. De ontheffing kan slechts worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort. De rugstreeppad is een soort dat wordt vermeld in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn en is daarmee een diersoort van communautair belang die strikt moet worden beschermd.
In artikel 16 lid 1 Habitatrichtlijn is onder de letters a tot en met e een aantal belangen genoemd met het oog waarop de lidstaten mogen afwijken van de verbodsbepalingen in de Habitatrichtlijn (waaronder de verbodsbepalingen die gelden ten aanzien van de in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn vermelde soorten). Afwijking van die verbodsbepalingen met het oog op bedoelde belangen is toegestaan, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State wordt het aan het besluit tot ontheffingverlening ten grondslag gelegde belang van de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, zoals neergelegd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Vrijstellingsbesluit, niet genoemd in lid 1 van artikel 16 Habitatrichtlijn. In de uitspraak wordt hierop uitgebreid ingegaan. Ik volsta met een verwijzing naar de betreffende rechtsoverweging: ABRvS 21 januari 2009, zaaknr. 200802863/1, r.o. 2.6.
De Afdeling bestuursrechtspraak komt tot het oordeel dat de grondslag voor het verlenen van ontheffing, die is neergelegd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Vrijstellingsbesluit, zich niet verdraagt met artikel 16 van de Habitatrichtlijn. De minister had de bepaling in het Vrijstellingsbesluit niet aan zijn besluit tot ontheffingverlening ten grondslag mogen leggen.

jurisprudentie

De minister van LNV (hierna: de minister) heeft aan de gemeente Edam-Volendam ten behoeve van het projectgebied ‘Zuidpolder-Oost’ ontheffing verleend van verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ten aanzien van de rugstreeppad (Bufo calamita). Aan de orde is de vraag of deze ontheffing onterecht was verleend omdat de aan de ontheffingverlening ten grondslag liggende bepaling in het Vrijstellingsbesluit zich niet verdraagt met artikel 16 van de Europese Habitatrichtlijn en om die reden buiten toepassing had moeten worden gelaten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels