nieuws

Bewonderaars willen oeuvre Jan De Jong zalig verklaren

bouwbreed

Serene stilte. Alomvattende harmonie. Wie het woonhuis van architect Jan de Jong in Schaijk betreedt, gaat een heiligdom binnen. In de woning van deze vertegenwoordiger van de Bossche school vloeien muren, plafonds, ramen, deuropeningen en meubilair in elkaar over in sobere grijze en bruine tinten.

De Jan de Jongstichting

Zelfs de blauwgrijze kleding die zijn weduwe Rieki de Jong (91) draagt, lijkt te zijn ontworpen om te harmoniëren met de vormen en kleuren binnen het universum van haar echtgenoot.
Het huis annex kantoor van Jan de Jong moet worden beschouwd als het levenwerk van de Brabantse bouwmeester, vindt Harry Verhoeven, bestuurslid van de Jan de Jongstichting en directeur van de Bouw Educatie Groep in Veldhoven.
“Iedere eeuw brengt genieën voort en voor de architectuur was Jan de Jong zo’n scheppend vernuft. Hij was zonder twijfel de belangrijkste vertegenwoordiger van de Bossche school. Het is daarom van het grootste belang dat er aandacht komt voor zijn werk.”
Momenteel proberen Verhoeven en architect Daan Peters, de voorzitter van de Jan de Jongstichting, geld in te zamelen om een boek te publiceren over het leven en het gedachtegoed van De Jong. Maar het uitbrengen van een boek is voor Peters en Verhoeven niet voldoende. “Het huis waar hij woonde en werkte moet bewaard blijven. En er is ook geld nodig om de andere gebouwen die hij ontwierp te behouden”, zegt Verhoeven. De tijd dringt want het onderhoud van De Jongs creaties laat veelal te wensen over.
Verhoeven tuurt bewonderend in de immense woonkamer van het Jan de Jonghuis. Een langgerekte zaal met links van de ingang een gedeeltelijk afgescheiden keuken en daartegenover, meer dan 10 meter verder, een zitgedeelte. Aan de zijkanten van deze living liggen verschillende ruimten. Ze zijn van de eigenlijke kamer gescheiden door vierkante steunkolommen, zogeheten pedanten. Deuren ontbreken. Uitsluitend het toilet heeft een deur want deuren brengen het design uit balans, zo vond de bouwmeester.

Staalkaart

Verhoeven: “In dit woonhuis vind je een staalkaart van De Jongs denken. Alles wat hij als architect kon tonen, haalde hij uit de kast.”
Weduwe Rieki de Jong: “Jan heeft alles hier ontworpen. Niet alleen het huis, maar ook het meubilair, de kroonluchters en de verlichtingsarmaturen. Hij tekende het nauwgezet en liet het vervolgens maken door een aannemer en een smid uit de buurt.”
Aan de buitenkant oogt het huis van Jan de Jong als een ommuurd en strak vormgegeven landhuis. Het woongedeelte heeft meerdere verdiepingen en daaromheen staan enkele bijgebouwen. Ze herbergen onder meer een kleine kapel en een schuur. Het monumentale pand is toe aan een opknapbeurt.
Verhoeven strijkt met zijn hand langs de betonnen buitengevel van de woning. Aan zijn vingers blijft een laagje pulver hangen. “Hier en daar brokkelt het af. Zie je wel?”
De architect pionierde met betonsteen, legt Verhoeven uit. “Het materiaal werd destijds nauwelijks gebruikt voor buitenmuren. De eigenschappen ervan waren daarom nog niet precies bekend. Nu zien we dat het begint te slijten. We moeten dan ook vaart zetten achter het onderhoud van het woonhuis.”
De van 1959 daterende Kerk van de Heilige Kruisvinding in het nabij Schaijk gelegen Odiliapeel schreeuwt eveneens om restauratie. Er zijn enorme lekkages. Hier en daar stroomt het water langs de muren. Daar komt nog bij dat verschillende verbouwingen inbreuk hebben gepleegd op de oorspronkelijke bedoelingen van de bouwmeester.
“Ik kan er mee leven dat een gebouw in de loop der jaren wordt aangepast”, zegt Verhoeven. “Maar het dient wel zorgvuldig te gebeuren, zodat het oorspronkelijke idee behouden blijft.” Relativerend: “Nou ja, de kerk in Odiliapeel staat er ten minste nog. En dat alleen is al iets om gelukkig mee te zijn want veel van De Jongs werk is gesloopt.”
Dat geldt bijvoorbeeld voor de van 1958 daterende Sint-Benedictuskerk in Rijswijk. “Het fraaiste voorbeeld van de architectuur van mijn vader”, zegt Koos de Jong met spijt in zijn stem. De zoon van de architect herinnert zich nog helder dat het markante gebouw in 2004 werd gesloopt nadat pogingen faalden om het op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst te krijgen.
Slechts de los van het middenschip gebouwde kerktoren bleef behouden. Waar het monumentale godshuis stond, is nu een parkeerplaats. Ook de Sint-Andrieskerk in Nuenen ging tegen de vlakte evenals de Almelose Willibrordkerk met Karmelietenklooster. Afgezien van de kerktoren in Rijswijk en het godshuis in Odiliapeel zijn ontwerpen van De Jongs hand te vinden in onder meer Maarsen en Uden.

Haast

“Het wordt de hoogste tijd om de architectuur van Jan de Jong de plaats te geven die haar toekomt”, vindt Verhoeven. “We moeten ons haasten want als het zo doorgaat, rest straks alleen nog de herinnering aan de bouwwerken van een van de grootste Nederlandse architecten uit de vorige eeuw. Ik wens vurig dat het zover niet zal komen.”

Eerst timmerman, toen architect

Jan de Jong(1917-2001) wilde als kind architect worden. Maar van zijn ouders, die van boerenafkomst waren, moest hij een ambacht leren. Daarom begon De Jong zijn loopbaan als timmerman.
Zijn interesse in de bouwkunst bleef. De Jong ging bij architect Schütz in ’s Hertogenbosch in de leer en ontwierp vervolgens veel woningbouw. Vanaf 1956 studeerde hij bij de Benedictijner monnik en bouwmeester Dom Hans van der Laan.
Deze ontwikkelde een sobere stijl die vooral werd toegepast bij de bouw van kerken, zoals de abdijkerk te Mamelis. Van der Laan was vooral een theoreticus en ontwierp slechts enkele gebouwen. Zijn inzichten verspreidde hij via een driejarige cursus kerkelijke architectuur die tussen 1946 en 1973 in het Kruithuis te ‘s-Hertogenbosch werd gegeven en waaraan de Bossche school haar naam dankt.
De opleiding richtte zich op bouwmeesters die betrokken waren bij de wederopbouw van godshuizen die de Tweede Wereldoorlog niet hadden overleefd. Vandaar dat de Bossche school vooral gestalte kreeg in religieuze bouwwerken.
De Jong volgde de cursus en ontpopte zich als haar belangrijkste exponent. Hij was het klankbord van Dom Hans van der Laan en hielp hem met het ontwikkelen van zijn ideeën. De grote kracht van De Jong lag in het vormgeven. De bouwwijze die kenmerkend is voor klassieke gebedshuizen, de zogeheten basilicale opzet met veel ornamenten, zuilen en barokke elementen, verving hij door strakke en sobere vormen. Ontwerpen van zijn hand staan in onder meer in Maarsen, Odiliapeel en Uden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels