nieuws

juridisch Een eigen verklaring zat er niet bij

bouwbreed

Vervelend als je zeker weet dat je je ‘eigen verklaring’ bij de inschrijfdocumenten hebt gevoegd en je hoort dan dat je inschrijving ongeldig is omdat die bewuste eigen verklaring er toch niet bij zat, vindt Edwin van Dijk.

Des te meer vervelend omdat hier weinig discussie over te voeren valt. Het ontbreken van een ‘eigen verklaring’ is nu eenmaal geen zogenaamd eenvoudig te herstellen gebrek. Ontbreekt de eigen verklaring, dan is de inschrijving eenvoudigweg ongeldig. Einde oefening? Of rust hier op de aanbestedende dienst toch nog een verantwoordelijkheid? Moet de aanbestedende dienst niet direct na inschrijving alle aanbiedingen op volledigheid controleren? Als een inschrijver immers alle stukken in de envelop heeft gedaan – of in ieder geval denkt hij dat gedaan te hebben – dan kan hij immers op geen enkele manier meer aantonen wat er in de envelop zat. Of is dat gewoon het risico van de inschrijver, het risico van het spel. In ieder geval, de inschrijver die dit overkwam zag er voldoende reden in om een oordeel van de rechter te vragen. De rechter stelde in de eerste plaats vast dat de ‘eigen verklaring’ niet achteraf alsnog mag worden ingeleverd. Dus moest deze bij de stukken zitten. En er is, aldus de rechter, geen rechtsregel die de aanbestedende dienst verplicht om de inschrijvingen direct na de aanbesteding op compleetheid te controleren. De aanbesteding zelf was immers maar een korte bijeenkomst, die slechts tot doel had om de hoogte van de inschrijvingen te beoordelen. Niet om de inschrijvingen op volledigheid te controleren. De inschrijver moest de compleetheid van zijn inschrijving maar bewijzen. En dat kon hij niet. Het gevolg is dat de zaak wordt beslecht met een hoog ‘helaas…-gehalte’ voor de inschrijver. UitkomstIs dit nu een billijke uitkomst? De rechter had natuurlijk de bewijslast kunnen omkeren. Soms gebeurt dat ook wel, maar in dit geval zou dat eigenlijk een verplaatsing van het probleem hebben betekend. Immers, moet de inschrijver bewijzen dan is dat voor hem een onmogelijke opgave. Moet de aanbestedende dienst bewijzen, dan heeft die het probleem. En met de aanbestedende dienst de overige inschrijvers, die er immers op mogen vertrouwen dat als een inschrijving ongeldig is, dit niet door een ongunstige bewijslastverdeling anders kan komen te liggen. Een inschrijver die zijn K-formulier is vergeten, zou dan gemakkelijk wegkomen door te stellen dat dit er gewoon bij zat. De aanbesteder zou dan het nakijken hebben omdat die het tegendeel niet kan bewijzen. Dat lijkt mij niet wenselijk. De rechter lijkt nog een oplossing te bieden. De inschrijver had de aanbestedende dienst bij de aanbesteding kunnen vragen de inhoud van diens envelop te controleren. Strikt juridisch valt voor dit ‘advies’ wel iets te zeggen. Wordt een dergelijk verzoek immers afgewezen, dan zou de rechter hierin best een reden kunnen zien om de bewijslast toch om te keren. Of het van realiteitszin getuigt, vraag ik mij af. Wordt het verzoek geweigerd dan zou de inschrijver uitdrukkelijk moeten vragen in het proces-verbaal van deze weigering aantekening te maken of over de weigering direct per fax te klagen. En dat vraagt van inschrijvers wel heel veel.
Sectie Bouw en VastgoedBierman AdvocatenTiel
dijk@bierman.nlwww.bierman.nl

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels