nieuws

‘Deze vaklui kunnen overal aan de slag’

bouwbreed Premium

Vijf dagen per week werken bij een bedrijf en twee avonden school: de praktijkleerlingen uit het oosten van Duitsland moeten stevig aanpoten.

De inzet is dat ze met het diploma dat ze halen een vast contract krijgen bij
de bedrijven waarvoor ze al tijdens hun opleiding aan de slag gaan. De beoogde
eerstejaars hebben een leeftijd van 22 tot 26 jaar. Dan zijn ze niet meer
leerplichtig zodat ze fulltime bij bedrijven kunnen werken”, legt Muller uit.
“We richten ons op jonge, ongebonden Duitsers.” Dat is om het afbreukrisico tot
een minimum te beperken. De ouderen hebben al een bestaan opgebouwd en zullen
dat missen als ze voorgoed in Nederland blijven. Die zullen eerder
terugverlangen naar de “Heimat”. Mocht dat met de jongeren onverhoopt ook
gebeuren, dan gaan ze als het goed is niet met lege handen terug en bewijst het
diploma ook dan zijn waarde. In Duitsland, maar ook in andere landen in het
midden en oosten van Europa, weet Muller, staat vakmanschap hoger aangeschreven
dan in Nederland. “Als je gediplomeerd vakman bent, heb je daar aanzien.” De
doelgroep van de nieuwe opleiding mist voor dat predicaat zoals gezegd nog het
ultieme bewijsstuk: een afgeronde vervolgopleiding.

Geld

Bedrijfstakken waar de Nederlandse ‘Facharbeiter’ in spe welkom zijn, zijn
onder meer de metaal, elektrotechniek, installatietechniek en bouw. Het
opleidingsgeld komt deels binnen via de wat Muller omschrijft als “de wettelijke
kaders” oftewel overheidssubsidie. De rest betaalt en organiseert TecLine, die
de kosten verdisconteert in de tarieven die de klanten betalen. Muller spreekt
over Duitsers, maar het gaat in de praktijk om (voormalige) Oost-Duitsers; een
onderscheid dat twintig jaar geleden formeel verviel. De mensen waarmee TecLine
werkt, komen niettemin allemaal van “achter” het voormalige IJzeren Gordijn.
Hoewel dat fysiek niet meer bestaat, blijkt het als sociaal-economische grens
springlevend. Niet meer als barrière voor verkeer naar het Westen maar als het
tegendeel: een grote arbeidstrek is ontstaan. De vakopleiding krijgt zoals
gezegd vorm in samenwerking met opleidingsbedrijven en het ROC Amsterdam. “We
hopen dat de instroom na volgend jaar doorgroeit tot enkele honderden leerlingen
per jaar.” Het plan is dan ook het aanbod aan vakrichtingen verder uit te
breiden. De uitvoering van het onderwijs is flexibel, bijvoorbeeld als het gaat
om de leslocatie. “Je kunt van iemand die de hele dag heeft gewerkt, niet
verwachten dat hij ’s avonds nog een keer het hele land doorreist”, beschrijft
Muller een reden waarom regionaal kleine klasjes kunnen worden gevormd. Dat de
Duitsers en andere Oost-Europese vaklui graag in Nederland willen werken, komt
volgens hem door de reputatie van zowel het werkklimaat als het land en de
cultuur. “Ze kunnen ook in andere landen aan de slag. Zeker als het goede vaklui
zijn.” Misstanden zoals uitbuiting en woekerprijzen voor een abominabel pension
die aan het licht komen hebben de inzet van Oost-Europeanen in een bepaald
daglicht geplaatst, weet hij. Maar voor de vakmensen waarmee hij werkt zou dat
onterecht zijn. “Het is een beeld dat je vooral ziet aan de onderkant van de
arbeidsmarkt, bijvoorbeeld bij de aspergestekers. Onze klanten betalen voor
vakmensen. Om die te werven, moeten we concurreren op een Europese markt want ze
kunnen overal terecht. Dan moet je dus goede voorwaarden bieden. Als
bijvoorbeeld het onderkomen niet blijkt te deugen, maken ze direct
rechtsomkeert.” De hoop is dat de jongeren als het werk is gedaan aan het eind
van de week op den duur niet meer automatisch direct naar huis gaan om daar het
weekeinde door te brengen. Of beter gezegd: dat ze wel naar huis gaan maar dat
hun huis dan in Nederland staat. Muller: “Onderdeel van de opleiding is
Nederlandse les. Het mooiste zou zijn als ze een Nederlands vriendinnetje tegen
het lijf lopen. Dan gaat de integratie het makkelijkst.”

Reageer op dit artikel