nieuws

Juridisch Gewijzigde formulering nieuwe Wro leidt tot discussie

bouwbreed

De gewijzigde formulering in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening heeft geleid tot discussie over de vraag of de mogelijkheden om voor bijvoorbeeld een noodlokaal voor een school vergunning te verlenen, onder de nieuwe Wro dezelfde zijn gebleven of kleiner zijn geworden

Moet een gemeente voor gebruikmaking van artikel 3.22 Wro aantonen dat de behoefte op zichzelf (bijvoorbeeld aan onderwijs) tijdelijk is, of is bepalend dat de behoefte aan de voorziening (bijvoorbeeld noodlokalen) tijdelijk is? Rechters geven vooralsnog een verschillend antwoord.
De rechtbank Groningen oordeelde dat in de tijdelijke ontheffing voor een kinderdagverblijf moest worden aangetoond dat na het verstrijken van de termijn geen behoefte meer bestaat aan de voorziening kinderopvang (LJN: BH7793). Na verwijdering van de tijdelijke units zou in dit gebied nog steeds vraag zijn naar kinderopvang en dus was geen sprake van een tijdelijke behoefte. De ontheffing ging onderuit. De Utrechtse rechter interpreteerde artikel 3.22 Wro op dezelfde manier in een uitspraak over een jongerenopvangruimte (procedurenummer 09/2064).
De rechtbank Zwolle oordeelde anders (LJN: BJ6975). Naar aanleiding van een procedure tegen een ontheffing voor een noodschool in Deventer overwoog de Zwolse rechter dat de tijdelijkheid van de behoefte aan een noodgebouw bepalend is, en dus niet de tijdelijkheid van de behoefte aan basisonderwijs. De wetsgeschiedenis bevestigt dit oordeel. Daarin worden als voorbeelden genoemd “noodvoorzieningen in nieuwe uitbreidingsgebieden, of na calamiteiten, zoals noodwinkels of noodscholen.” Ook de Zutphense rechter overwoog dat niet de tijdelijkheid van de behoefte op zichzelf, maar de tijdelijkheid van de behoefte aan een noodgebouw de doorslag geeft (LJN: BJ7845). Recent bevestigde de Haarlemse voorzieningenrechter die interpretatie nog eens (LJN: BK3765). “Het gaat hier niet om de tijdelijke behoefte aan onderwijs, maar om de tijdelijke behoefte aan noodlokalen.”
Uit de uitspraken blijkt trouwens dat ook bij een ruime interpretatie van artikel 3.22 Wro nog flinke hobbels kunnen bestaan. Gemeenten moeten concreet onderbouwen dat de behoefte aan de voorziening echt tijdelijk is, maar dat was onder de oude Wro ook al zo.
De Raad van State zal zich binnenkort uitspreken over deze kwestie. Het blijft dus even afwachten of de realisering van tijdelijke bouwwerken ook onder de nieuwe Wro goed mogelijk blijft.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels