nieuws

beschouwing Infrastructuur als katalysator

bouwbreed Premium

De reconstructie of nieuwe aanleg van infrastructuur wordt steeds meer gezien als een motor voor gebiedsontwikkeling

De overheid vormt bij dat alles zeker niet meer de ‘allesbepalende’ regisseur maar een van de spelers in een delicaat samenspel tussen ontwikkelaars, aannemers, ontwerpers, ondernemers, adviseurs en bewoners.

De A-12 zone, de Zuidas, de A2-tunnel bij Maastricht en de Zuidelijke Ringweg rond Groningen bewijzen die stelling. Maar lastig is het nog steeds om de verschillende randvoorwaarden binnen het proces van gebiedsontwikkeling logisch te combineren en te organiseren. Zo staan mobiliteit en bereikbaarheid nogal eens tegenover leefbaarheid van een gebied. Ook de planningshorizonten blijken onderling enorm te verschillen. Dat levert nu nog vertraging en gedoe op, maar ook dat zal zich onder druk van de bestuurlijke en sociaal-economische omstandigheden oplossen. Duidelijk in dat verband is dat overleg, communicatie en commitment met alle relevante stakeholders van essentieel belang is om een integrale aanpak te versnellen en te realiseren. Of die integrale aanpak ook daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal is nog onvoldoende duidelijk. Hoogleraar Ton Verhoeven is weliswaar van mening dat vooral stedelijke gebiedsontwikkeling de toekomst heeft, maar dat er nog een lange weg te gaan is voordat duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit elkaar gevonden hebben. De niet geringe opgave wordt het ontwikkelen van steden die energie en voedsel opleveren in plaats van verbruiken. Daarbij is de component mobiliteit een dominante factor. Door een slimme combinatie van inrichting van het stedelijk gebied kan het energieverbruik drastisch worden beperkt.
De recente naamwijziging van MIT (meerjarenprogramma infrastructuur en transport) naar MIRT (meerjarenprogramma infrastructuur, ruimte en transport) is zeker geen cosmetische. Die verandering markeert daadwerkelijk een start om gebiedsontwikkeling vanuit verschillende beleidsterreinen actief en integraal te laten plaatsvinden. Niet alleen verkeer en vervoer en ruimtelijk beleid, maar ook waterafspraken, ontwikkelagenda’s, beleid voor bedrijventerreinen, verstedelijkingsplannen of agenda’s voor natuur en landschap worden systematisch verdisconteerd in de planning en de uitvoering op rijksniveau. Met die nieuwe gezamenlijke aanpak wordt nu gewerkt aan het opstellen van gebiedsagenda’s. Dat proces is – volgens directeur-generaal Sieben Riedstra van Verkeer en Waterstaat – goed op dreef. Voor 95% liggen de afspraken voor gebiedsontwikkeling tussen rijk en regio’s vast. Het komt nu aan op ontwikkeling en uitvoering, waarbij in deze crisistijd uiteraard de financieringscomponent van groot belang is. Van de overheid wordt in ieder geval een impuls verwacht op het gebied van infrastructuur en water, maar nauwelijks op het terrein van ruimtelijk beleid. De vastgoedmarkt ligt op z’n rug, maar daar is wel veel kennis en ervaring waar het gaat om gebiedsontwikkeling en herstructurering aanwezig. Daarbij is het verstandig niet alleen naar de investeringskosten, maar ook naar de opbrengsten ervan te kijken. Dat geeft een deels ander perspectief, aldus Friso de Zeeuw, hoogleraar aan de TU Delft en directeur nieuwe markten bij Bouwfonds Property Development op de studiemiddag die was georganiseerd door de Federatie Welstand, de Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling, Connekt en Twynstra Gudde.

Dat infrastructuur een katalysator voor economische ontwikkeling is mag duidelijk zijn. De A-12 zone, de Zuidas, de A2-tunnel bij Maastricht en de Zuidelijke Ringweg rond Groningen bewijzen die stelling. Maar lastig is het nog steeds om de verschillende randvoorwaarden binnen het proces van gebiedsontwikkeling logisch te combineren en te organiseren. Zo staan mobiliteit en bereikbaarheid nogal eens tegenover leefbaarheid van een gebied. Ook de planningshorizonten blijken onderling enorm te verschillen. Dat levert nu nog vertraging en gedoe op, maar ook dat zal zich onder druk van de bestuurlijke en sociaal-economische omstandigheden oplossen. Duidelijk in dat verband is dat overleg, communicatie en commitment met alle relevante stakeholders van essentieel belang is om een integrale aanpak te versnellen en te realiseren.
Of die integrale aanpak ook daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal is nog onvoldoende duidelijk. Hoogleraar Ton Verhoeven, verbonden aan het Atelier Rijksbouwmeester, is weliswaar van mening dat vooral stedelijke gebiedsontwikkeling de toekomst heeft, maar dat er nog een lange weg te gaan is voordat duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit elkaar gevonden hebben. De niet geringe opgave wordt het ontwikkelen van steden die energie en voedsel opleveren in plaats van verbruiken. Daarbij is de component mobiliteit een dominante factor. Door een slimme combinatie van inrichting van het stedelijk gebied – waarbij wordt ingezet op voetgangersverkeer – en dat wordt ondersteund door een mechanische infrastructuur kan – zoals in Shanghai wordt bewezen – het energieverbruik drastisch worden beperkt.


Sociaal-geograaf en senior communicatiestrateeg bij Schuttelaar & Partners, Den Haag
RCoops@schuttelaar.nl)

Gebiedskwaliteit rond infrastructuur; essays, Federatie Welstand, Amsterdam
Hugo Priemus, Friso de Zeeuw,, Henk Lichter, Jeroen den Uyl, Flip en Cate, Jan Wabeke en David van Zelm van Eldik (2009): , ISBN 978-90-813653-3-8.

Kader:
Bedreigingen gebiedsontwikkeling: de vier o’s:
1. Overtrokken ambities
2. Onbeholpen communicatie
3. Onderweg blijven polderen
4. Overkokende overhead

Reageer op dit artikel