nieuws

Historici buigen zich over huisvesting Marechaussee

bouwbreed

– Een rijtjeshuis zat er voor de manschappen van het Wapen der Koninklijke Marechaussee niet in. Tot na de Tweede Wereldoorlog woonden zij met hun gezin in speciaal voor het Wapen gebouwde kazernes. De geschiedenis van die kampementen staat centraal in het boek Het Wapen onder dak, van Michael van der Zee en Gijs Rommelse.

Het Koninkrijk der Nederlanden was nog in oprichting toen de Prins van Oranje, de latere koning Willem I, in 1814 een militair politiekorps stichtte. De manschappen van dit Wapen der Koninklijke Marechaussee werden gerekruteerd uit militairen uit de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden, het latere België.
Omdat de mannen zeven dagen per week vierentwintig uur per dag paraat moesten zijn, werden ze ondergebracht in kazernes. Veelal oude gebouwen die eigenlijk voor een ander doel waren bestemd.
Het verblijf in op militaire leest geschoeide kampementen bracht veel beperkingen met zich mee voor het persoonlijke leven van de manschappen. De meeste marechausseebrigades waren krap gehuisvest. En dat legde een zware tol op hun bewegingsvrijheid. Marechaussees die bijvoorbeeld wilden trouwen, moesten daarvoor toestemming vragen. Of ze al dan geen permissie kregen, was onder meer afhankelijk van de beschikbare kazerneruimte want ze waren verplicht met vrouw en kinderen in het kampement te blijven wonen totdat ze hun contract hadden uitgediend.
Dat was natuurlijk geen ideale situatie. Waar nog bij komt dat de staat van onderhoud van de kazernes te wensen over liet.
Toen de problemen begin twintigste eeuw de pan uitrezen, gaf de minister van Oorlog opdracht speciale marechausseekazernes te laten bedenken. Een besluit dat tot op de dag van vandaag invloed heeft op ontwerp van de onderkomens van het Wapen.
Van der Zee en Rommelse beschrijven de ontwikkeling van de marechausseekazernes tot in detail. Ze richten de schijnwerper onder meer op verschillende gebouwtypen, financiële middelen, politieke ­besluitvorming en maatschappelijke bewegingen. Weliswaar levert dat saillante details en aardige anekdotes op, de geschiedenis van de huisvesting van het Wapen komt er een beetje mee in het gedrang.
Waren er gespecialiseerde architecten voor marechausseegebouwen? Welke aannemers werden aangetrokken om de kazernes te bouwen? Wie deed het onderhoud van de kampementen? Het zijn vragen waaraan de auteurs weinig aandacht besteden, terwijl ze voor een historische studie naar de huisvesting van de Koninklijke Marechaussee uiterst relevant zijn.
Toch doet dat geen afbreuk aan de constatering dat Van der Zee en Rommelse een boeiend boek hebben geschreven. Ze weten de lezer aan zich te binden met een plezierige schrijfstijl en hebben veel oog voor uiteenlopende bijzonderheden. Daarbij komen de vele fraaie illustraties. Het Wapen onder dak, verveelt dan ook geen moment.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels