nieuws

Risicoregeling en kostenverhogingen

bouwbreed Premium

In eerste instantie overwogen arbiters onder meer: “Gelet op de overeengekomen risicoregeling komen arbiters eerst toe aan een beroep op par

47 UAV 1989, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de nv naar eisen van redelijkheid en billijkheid de ongewijzigde toepassing van de overeenkomst niet mag verwachten. Par. 47 UAV 1989 vormt in deze zin een uitwerking van art. 6:258 BW, welke bepaling met terughoudendheid wordt toegepast. Het gaat om die gevallen, waarin wordt vastgesteld dat sprake is van (i) extreem hogere kosten voor de aannemer bij het tot stand brengen van het werk, (ii) vanwege omstandigheden waarmee partijen ten tijde van het sluiten geen rekening hoefden te houden en (iii) welke niet aan de aannemer kunnen worden toegerekend. De vordering op de grondslag van par. 47 UAV 1989 komt niet voor toewijzing in aanmerking indien aan één van de genoemde vereisten niet is voldaan. Arbiters zullen in het onderstaande uiteenzetten dat zij onder de gegeven omstandigheden op de onderdelen i) en ii) van de hiervoor beschreven maatstaf niet tot de vereiste vaststelling komen.”
Hierna oordeelden arbiters dat het beroep op par. 47 UAV 1989 om verschillende redenen niet opgaat. Het achterblijven van een overeengekomen indexreeks bij enkele andere gepresenteerde indexreeksen vormt – met inachtneming van de andere omstandigheden – onvoldoende grondslag voor de vaststelling dat M. op onderdelen (extreem) hogere kosten heeft moeten maken bij de uitvoering van het werk. Dat de indexreeks afwijkt van andere indexreeksen, waardoor M. achteraf in verhouding tot die andere reeksen minder compensatie heeft verkregen, levert uiteraard op zichzelf geen onvoorziene, kostenverhogende omstandigheid in de zin van par. 47 UAV 1989 op. Aannemer had op een andere manier de risicoregeling moeten invullen en nu hij dat niet deed, komt dat voor zijn risico, aldus arbiters – kort samengevat – in eerste instantie.
Appelarbiters sluiten zich hierbij aan. Zij overwegen letterlijk: “Appelarbiters moeten echter vaststellen dat de gevolgen van economische groei – hogere lonen en prijzen – juist zijn afgedekt door de risicoregeling van artikel 31 en dus wel zijn voorzien en verdisconteerd.” En voorts: “K. wist daar echter tijdig van, zoals ook blijkt uit haar brief van 19 juli 1995 (antwoord eerste aanleg, pr. 5.2), dus vóór de opdracht van het werk krachtens de overeenkomst van juni 2006. K. kan dus reeds daarom niet volhouden dat deze marktsituatie voor haar onvoorzienbaar was.”
Helemaal zuiver is de laatste overweging niet: de term onvoorziene omstandigheden heeft betrekking op omstandigheden die in een overeenkomst niet geregeld zijn (waarvoor geen voorziening is getroffen) en niet op omstandigheden die niet voorzienbaar zijn. Maar de boodschap is duidelijk: er was een regeling die nu juist voor deze omstandigheden geschreven was en dus is er geen sprake van een kostenverhogende omstandigheid in de zin van par. 47 UAV 1989.

juridisch

De verhouding tussen een risicoregeling en de regeling van kostenverhogende omstandigheden van par. 47 UAV 1989 leidt met enige regelmaat tot jurisprudentie. De hoofdregel is dat als er een risicoregeling is, deze in de weg staat aan een beroep op par. 47 UAV 1989. Maar: als de risicoregeling slechts ziet op een bepaalde situatie, dan blijft er wel ruimte voor beroep op par. 47 UAV 1989. Dit ‘systeem’ werd onlangs door de Raad van Arbitrage in een appelzaak (nr. 71.315, 18 juni 2009) bevestigd.

Reageer op dit artikel