nieuws

Publiek-private samenwerking nodig voor cradle-to-cradle

bouwbreed

In Nederland is er bij overheden en in de bouw veel belangstelling en promotie voor het recycleconcept cradle-to-cradle (c2c). In Nederland is de naam c2c daardoor groter geworden dan waar ook ter wereld. Toch waarschuwen Roger Cox en Bert Lejeune dat een andere aanpak nodig is om het concept ook echt te laten slagen.

Toepassing van c2c vereist dat ieder product (een stoel, gebouw of vliegtuig) zo wordt ontworpen dat het aan het einde van de levensduur op een rendabele manier ontmanteld kan worden in onderdelen die ofwel teruggebracht kunnen worden in de biologische kringloop ofwel kunnen terugkeren in een gesloten industriële kringloop. Noem het een circulaire economie.
Indien deze nieuwe economie bovendien wordt aangedreven door zonne- en windenergie, dan komt een toekomstbeeld in zicht waarin we het energie- en het grondstoffenprobleem in samenhang zullen oplossen. Dat is nodig want klimaatverandering en andere ecologische en economische dreigingen vragen om een andere aanpak. Belangstelling voor c2c is dan ook een goede zaak.
Wij constateren echter dat er nauwelijks oog is voor de maatregelen om c2c te kunnen laten slagen in Nederland. Enerzijds zal er bereidheid moeten komen om c2c te koppelen aan de duurzame energietransitie en om wet- en regelgeving aan te passen. Anderzijds is er de noodzaak dat de c2c-bedenkers Braungart en McDonough hun gesloten en geprivatiseerde aanpak rondom c2c snel veranderen.
Een publiek-private samenwerking rondom c2c is daarom de logische volgende stap. Gebeurt dat niet, dan kan het snel gedaan zijn met de waarde van de naam cradle-to-cradle in Nederland. Wij zullen toelichten waarom een verandering rondom c2c dingend nodig is.

Mededinging

Op dit moment is c2c voor de bedenkers voornamelijk een vehikel voor hun advisering aan eenieder die een c2c product wil ontwikkelen. De te certificeren producten moeten voldoen aan de door henzelf opgestelde c2c-certificeringeisen. Op deze wijze zijn de laatste 8 jaar circa honderdvijftig producten gecertificeerd. Dat is niet de gedroomde take-off.
Een massale ontwikkeling en certificering van c2c-producten ligt ook niet in het verschiet. Niet zolang consultancy en certificering zich uitsluitend rondom de bedenkers afspeelt. Gelet op het enthousiasme in Nederland willen velen echter zelf met het concept aan de slag. Het ligt voor de hand dat andere namen bedacht zullen worden om concurrerende activiteiten mogelijk te maken. Met deze zogenaamde inter-brand mededinging is niks mis. Maar de door velen gewilde brede duurzaamheidbeweging rondom c2c is met deze versnippering niet geholpen.
Een voorkeur voor intra-brand mededinging is dan logisch. Daarmee ontstaat evenzeer concurrentie, maar dan onder de gezamenlijke naam c2c. De herkenbaarheid van goede duurzame ontwikkeling wordt daarmee voor het publiek veilig gesteld en versterkt. Daardoor wordt massacommunicatie mogelijk en dat is een vereiste voor de start van een transitie naar een duurzame samenleving.
Het meewerken aan intra-brand mededinging zou voor de bedenkers van c2c ook het passend antwoord vormen op de aanzwellende kritiek vanuit de VS dat een slager zijn eigen vlees niet moet keuren – en zij dus ook hun eigen werk niet moeten certificeren. Als ze verstandig zijn, werken Braungart en McDonough dan ook mee aan de totstandkoming van een onafhankelijk certificeringinstituut. Daarmee wordt kritiek vermeden en kan mededinging plaats gaan vinden. Nederland kan dan met c2c aan de slag.

Toekomst

Samen aan de slag gaan is belangrijk. De bestaande cradle-to-cradle producten laten zien dat duurzame productinnovatie de toekomst heeft. Dat is van grote waarde. Naast productinnovatie is er ook de cradle-to-cradle toekomstvisie: een wereld waarin de mens in harmonie met zijn omgeving leeft; productieprocessen schoon zijn, ecosystemen worden geïntegreerd in onze steden en gebouwen, producten na gebruik waardevolle grondstoffen worden en de consument geen vervuiler meer is. Die visie is eveneens van grote waarde want zij heeft velen in Nederland geïnspireerd en tot ambitie aangezet. Burgers maar juist ook overheden en bedrijven. Dat is uniek.
Vanwege deze bewezen communicatieve en inspirerende waarde van c2c, kan het Rijk ons inziens met c2c het benodigde draagvlak creëren voor een snellere transitie naar een duurzame samenleving. Het creëren van draagvlak is ook hard nodig. Of de dringend noodzakelijke duurzame innovaties van de grond komen is immers het gevolg van politieke keuzes. Als we er op moeten wachten dat het OPEC-kartel de olieprijzen zo beïnvloedt dat we massaal overstappen op zonne-energie, dan vallen Pinksteren en Pasen op één dag. Afwachten is dus geen optie.
Bestuurders moeten zelf keuzes durven maken. Ingrijpende keuzes. En die vragen om draagvlak. Burgers zullen gemakkelijker geïnspireerd raken van het samen de mouwen opstropen om als eerste land de overgang te maken naar een door de zon aangedreven circulaire economie, dan van de ideeën over CO2-opvang en de inzet van kernenergie als toekomst voor onze kinderen. Dat zijn geen eindoplossingen. Het spreekt ook niet aan.

Open structuur

Er is dus alle reden voor de overheid en de bedenkers van c2c om samen te gaan werken aan een open structuur rondom cradle-to-cradle. Een pps ter oprichting van een onafhankelijk certificeringinstituut ligt voor de hand. Daarin kunnen bijvoorbeeld ook de transitiedenkers van het Dutch research institute for transitions (Drift) deelnemen. De pps borgt de kwaliteit van c2c in de open structuur. Vervolgens kan iedere overheid en ieder bedrijf zelf met c2c aan de slag en zijn onafhankelijke adviseurs kiezen. Dat verhoogt de mededinging, drukt de kosten en maakt het mogelijk dat er veel meer c2c-producten en andere c2c-ontwikkelingen kunnen ontstaan, zoals in gebiedsontwikkeling.
Nederland kan op die manier een voorloper in duurzame en innovatieve ontwikkeling zijn en daarmee een voorbeeld voor andere landen worden. Mocht niet gekozen worden voor een pps, zien wij niet in hoe wij in Nederland mee kunnen blijven werken aan het promoten van cradle-to-cradle, nu daar thans behalve de bedenkers niemand grip op heeft. In dat geval moeten we zelf maar een internationaal goed communiceerbare naam gaan bedenken voor de door de zon aangedreven circulaire economie.

Reageer op dit artikel