nieuws

Eigen zorgplicht onderaannemer

bouwbreed Premium

Als een onderaannemer zijn werk onder bepaalde condities niet deugdelijk kan uitvoeren, moet hij dit ook niet doen of een andere oplossing kiezen. Pieter de Vries bespreekt een belangwekkend arrest van het gerechtshof in Den Haag omtrent de zorgplicht van een onderaannemer.

Omstreeks 1990 geeft een projectontwikkelaar opdracht aan een hoofdaannemer voor de realisatie van een pand. De hoofdaannemer schakelt voor de dakbedekkingswerkzaamheden onderaannemer V in.
Het werk wordt opgeleverd en in gebruik genomen. In november 1992 raast een storm over het pand, waarbij de destijds aangebrachte dakbedekking grotendeels loslaat. De eigenaar van het pand schakelt zijn opstalverzekeraar in die een bedrag van toen ruim 240.000 gulden uitbetaalt. Op basis van deze uitbetaling treedt de verzekeraar in de rechten van de schadelijdende partij en wenst zij regres te nemen op de partij die verantwoordelijk kan zijn voor het ontstaan van de schade.
Op basis van de bevindingen van een expert die door de verzekeraar is aangestuurd, komt de verzekeraar uit bij de onderaannemer V. Deze laatste wordt direct aangesproken op basis van een onrechtmatige daad.
Op 11 november 2008 wijst het gerechtshof Den Haag arrest (vindplaats: ljn:bg8168; zaaknummer 105005.822/01).
Wat betreft de feitelijke oorzaak zoekt het hof aansluiting bij de reeds eerder door de rechtbank benoemde deskundige. Uit dit duidelijke en deugdelijk onderbouwde rapport kan worden opgemaakt dat de door de onderaannemer V aangebrachte dakconstructie van het pand niet voldeed aan de veiligheidseisen met betrekking tot de windbelasting, zoals neergelegd in NEN- 3850.
Het gerechtshof oordeelt dat op basis van het deskundigenrapport moet worden geconcludeerd dat de gebrekkige en onjuiste wijze van aanbrengen van de dakbedekking door onderaannemer V in overwegende mate de oorzaak is geweest van het ontstaan van de onderhavige stormschade. Dit verwijt valt onderaannemer V in juridische zin toe te rekenen, nu zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend dakdekker ervoor had moeten zorgen dat de dakbedekking deugdelijk werd aangebracht en zou voldoen aan de voorschriften van de genoemde NEN-norm.
Uit de uitspraak kan worden afgeleid dat onderaannemer V zich kennelijk op het standpunt had gesteld dat zij op de (door een derde geplaatste) te ruwe ondergrond geen juiste hoeveelheid lijm voor de isolatieplaten kon aanbrengen. Het gerechtshof pareerde deze stelling met het argument dat zij op dat moment als ter zake kundige op het gebied van de dakdekkerswerkzaamheden of een andere werkbare oplossing had moeten kiezen, of het werk onder die condities niet kon uitvoeren.
Voorts oordeelde het gerechtshof dat ook al zou de onderaannemer V haar contractuele wederpartij (de hoofdaannemer) hebben gewezen op de slechte ondergrond en de gebrekkige daktrim, dit haar niet kon vrijpleiten jegens een derde (de uiteindelijke eigenaar/gebruiker).
In deze uitspraak wordt de binnen een contract geldende waarschuwingsverplichting opgerekt in die zin dat deze zich ook uitstrekt ten opzichte van derden.
Het gerechtshof stelde expliciet dat onderaannemer V als redelijk bekwaam en redelijk handelend dakdekker een zelfstandige (maatschappelijke) verplichting heeft ervoor te zorgen dat de door haar aan te brengen dakbedekking op zodanig deugdelijke wijze werd aangebracht dat deze aan de veiligheidseisen van NEN-norm 3850 zou voldoen.
Overigens ziet de betreffende norm toe op het voorkomen van een specifiek gevaar. Dit gevaar bestaat uit het optreden van een aanmerkelijke schade aan een dakconstructie als de onderhavige bij windbelasting. Naar haar aard ziet de norm niet slechts toe op bescherming van de belangen van de bij de onderaannemingsovereenkomst betrokken partijen, maar ook op bescherming van anderen, onder wie de eigenaar van het pand.
De uitspraak is voor de praktijk uitermate belangrijk. Moraal van het verhaal: handel niet in strijd met veiligheidsnormen.

Reageer op dit artikel