nieuws

Op naar de volgende golf

bouwbreed

De laatste tijd is er in ons land weer opvallend veel belangstelling voor publiek-private samenwerking. Van verschillende kanten wordt bepleit om het instrument meer en sneller in te zetten. Commissies met grote namen zijn volgens klassiek recept in stelling gebracht om de urgentie nog maar eens te onderstrepen.

De laatste tijd is er in ons land weer opvallend veel belangstelling voor publiek-private samenwerking. Van verschillende kanten wordt bepleit om het instrument meer en sneller in te zetten. Commissies met grote namen zijn volgens klassiek recept in stelling gebracht om de urgentie nog maar eens te onderstrepen.
Zo presenteerde de commissie-Ruding net voor de zomer nog een advies waarvan de belangrijkste conclusie was dat meer samenwerking tussen publieke en private partijen de aanleg van infrastructuur kan versnellen en dat bovendien extra middelen beschikbaar kunnen komen waarmee nog weer extra capaciteit te realiseren valt door de meerwaarde die zo te realiseren is.
Het advies van oud-minister Ruding werd onder meer ondersteund door oud-minister Willem Vermeend, die vanuit het pps-netwerk tot soortgelijke conclusies kwam, en door oud-minister Elco Brinkman, die vanuit Bouwend Nederland ook al meermalen op een extra impuls voor pps heeft aangedrongen. En nu, direct na de zomer, ligt er ook nog het advies van de Deltacommissie onder voorzitterschap van weer een andere oud-minister, namelijk Cees Veerman, die met een advies is gekomen over hoe we moeten omgaan met de klimaatverandering en de zeespiegelstijging. En direct is ook hier alweer publiek-private samenwerking geopperd als geëigende aanpak daarvoor.
Dat gaat de komende tijd dus wel goed komen met publiek-private samenwerking, zou je denken. De ervaring leert anders, helaas.
Dit is natuurlijk niet de eerste keer dat het instrument in ons land als beloftevolle en kansrijke optie naar voren wordt gebracht. Het is niet voor het eerst dat met veel publiek geweld en grote eenstemmigheid onder bestuurders getracht wordt om van publiek-private samenwerking eindelijk een succes te maken. Als we alleen al de afgelopen decennia in beschouwing nemen, dan is dit zeker al de derde (en volgens sommigen zelfs de vierde of de vijfde) golf van aandacht waarin het instrument zich ondertussen mag ‘verheugen’.
Het patroon in de golfbeweging is steeds gelijk. Eerst komen er de veelbelovende rapporten van gezaghebbende commissies. Dan volgt de welwillende ontvangst in de politiek en bij de partijen in het veld, publiek en privaat. Vanuit de beste bedoelingen worden vervolgens overal (weer opnieuw) afdelingen en kenniscentra opgetuigd, die proefprojecten gaan starten en voorbeeldcontracten ontwikkelen op basis van kennis die onder meer is opgedaan in het buitenland.
Daar gaat dan vaak heel wat energie en enthousiasme in zitten en op papier wordt er zo schijnbaar veel voortgang geboekt: prachtige teksten, mooie brochures, leuke bijeenkomsten en briljante ideeën.
Maar in de praktijk van alledag gaat het ondertussen gewoon om de voortgang in projecten zelf, om de ‘deal flow’: de stroom aan contracten via welke de samenwerking tussen publiek en privaat concreet gestalte moet krijgen. En die krijgt nu eenmaal uiteindelijk geen invulling via rapporten van adviescommissies of informatiebijeenkomsten bij kenniscentra over ‘pilotprojecten’.
Zolang dat besef niet diep genoeg is doorgedrongen kunnen we volgens mij slechts hopen en wachten op de volgende golf voordat er echt iets gaat veranderen in de praktijk van pps.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels