nieuws

Terughoudend omgaan met herstel van fout in aanbestedingsstukken

bouwbreed

Het aanbestedingsrecht heeft de overheidsrechter in 2007 behoorlijk bezig gehouden. In vier artikelen geeft Monika Chao-Duivis van die rechtspraak een indruk. Vandaag deel 2. Het eerste deel verscheen op 2 februari.

In 2007 is aan de rechter een aantal keren de vraag voorgelegd of de inschrijver zijn inschrijving mocht verbeteren. Art. 2.14.4 ARW 2005 maakt het mogelijk om een gebrek in bewijsstukken te herstellen als dat eenvoudig kan. Het spreekt voor zich dat met deze mogelijkheid terughoudend omgegaan dient te worden, omdat rechtsongelijkheid op de loer ligt.
De rechtbank Leeuwarden, 13 maart 2007, KG 07-43, LJN BA0856, wees een verzoek van een inschrijver om alsnog een voorlopig plan van aanpak en een eigen verklaring van onderaannemers in te mogen dienen af. Voor aanvulling van gegevens na het tijdstip van aanbesteding is slechts ruimte indien er sprake is van een kennelijke omissie of kennelijk geringe fout in de reeds aan de aanbestedende dienst verstrekte gegevens.
De fout in deze zaak was niet zomaar een tekortkoming maar was een geval van het niet voldoen aan inhoudelijke eisen van het bestek: er ontbreken relevante gegevens die bij de inschrijving hadden moeten worden verstrekt. Op het ontbreken hiervan staat ingevolge art. 2.25.1 ARW 2005 de (zware) sanctie van ongeldigheid van de inschrijving. In dat geval is aanvulling van stukken niet toelaatbaar.
De rechter in Alkmaar, 8 mei 2007, 94734/KG ZA 07-123, LJN BA6351, dacht er niet anders over. Ook hier ontbraken relevante gegevens die bij de inschrijving hadden moeten worden verstrekt. De sanctie is dan: ongeldigheid van de inschrijving. In dat geval is aanvulling van de stukken niet toelaatbaar. Bovendien verplicht het beginsel van gelijke behandeling dat de gemeente jegens alle inschrijvers in acht moet nemen haar om strikt de hand te houden aan de in het bestek gestelde inhoudelijke eisen. Zie voorts de uitspraken van de rechtbank te Middelburg van 6 juli 2007, 58004/KG ZA 07-93, LJN BA9005 en ook van de Haagse rechtbank van 28 juni 2007, KG 07/471, LJN BB2293.
In het laatste geval ging het om een in cijfers opgenomen bedrag op het inschrijvingsbiljet dat afwijkt van het bedrag in cijfers op de bijbehorende inschrijfsstaat. Ook dit is een inschrijving die niet voldoet aan de eisen gesteld in het bestek, zodat op grond van het bepaalde in artikel 2.25.1 ARW sprake is van ongeldigheid. Tevergeefs betoogt de inschrijver dat dit een kennelijke geringe fout is die zich leent voor herstel.

Certificaat

Een fout die wel voor herstel in aanmerking kwam deed zich voor in de zaak van de rechtbank Zwolle 12 juli 2007, 134300/KG ZA 07-300, LJN BB5620. Maar het baatte de inschrijver overigens niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft ook de aankondiging van N. in zijn brief van 24 mei 2007 dat het ISO-certificaat onderweg was, in beginsel een omstandigheid die ertoe leidt dat de desbetreffende gemeente N. alsnog in de gelegenheid zou hebben moeten stellen het certificaat over te leggen binnen de hiervoor genoemde termijn van twee dagen.
De vraag die echter voorligt, is of ten aanzien van de overlegging van de Verklaring Omtrent het Gedrag voor rechtspersonen (VOGrp) en de insolventieverklaring (eveneens) sprake is van omstandigheden die in de risicosfeer van de gemeente liggen. N. heeft aangevoerd dat ongeveer acht tot negen weken gemoeid is met de afgifte van een VOGrp, zodat ook indien hij direct na toezending van het bestek (op 20 april 2007), een aanvraag om afgifte van de VOGrp zou hebben gedaan, niet tijdig deze verklaring zou hebben kunnen overleggen. De voorzieningenrechter volgt N. hierin niet.
De met stukken onderbouwde stelling van de gemeente dat in een speciale spoedprocedure - juist mede ten behoeve van aanbestedingsprocedures - de VOGrp binnen acht tot tien dagen kan worden verkregen, heeft N. onweersproken gelaten. Daarbij komt dat N. desgevraagd ter zitting heeft meegedeeld dat hij per jaar tussen 50 en 100 inschrijvingen doet. Aangenomen moet worden dat in een substantieel deel van de aanbestedingen waarop N. inschrijft een recente VOGrp wordt verlangd, zodat niet valt in te zien waarom hij niet een verklaring ‘op de plank’ had liggen.
Van een onmogelijkheid om tijdig de VOGrp over te leggen is derhalve niet gebleken. N. heeft geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de omstandigheid dat N. een te oude insolventieverklaring heeft overgelegd, in de risicosfeer van de gemeente Zwolle dient te liggen. Anders dan N. is de voorzieningenrechter van oordeel dat de handelwijze van de gemeente, juist nu de gebreken te wijten zijn aan omstandigheden die in de risicosfeer liggen van N., niet disproportioneel is. Gelet op de omstandigheid dat bij een aanbesteding als de onderhavige ook de overige inschrijvers betrokken zijn, ligt een strikte handhaving van de regels waaraan de inschrijving moet voldoen, voor de hand. Dat geldt ook voor de regels die zien op de controle van de juistheid van de eigen verklaring, zoals de tijdige overlegging van de juiste stukken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels