nieuws

Nieuw pragmatisme bij regionale samenwerking

bouwbreed Premium

Regionale samenwerking op het gebied van ruimtelijke planning gaat vooral uit van bestuurlijke effectiviteit en democratische legitimiteit. Daardoor komt de beoogde ruimtelijke kwaliteit te weinig aan bod.

De VROM-raad pleit voor programmagestuurde regionale samenwerking, zonder betutteling. Daarover verscheen een advies dat – op een roerige paneldiscussie op 9 oktober jl. – werd toegelicht en gepresenteerd. Henk Oving, directeur Nationaal Ruimtelijke Ordening van het ministerie van VROM, die het rapport in ontvangst nam, noemde het een ietwat schizofrene situatie, wanneer de overheid zowel vertrouwen moet geven als controle moet uitoefenen op vormen van regionale samenwerking.
Dat ‘de’ regio niet bestaat weet iedereen nu wel. En toch wordt er bestuurlijk te weinig rekening gehouden met de verschillen in schaal, ambities, cultuur of structuur. De bestuurlijke agenda’s en instrumenten, zoals de Wet gemeenschappelijke regeling (Wgr en Wgr-plus), de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en allerlei nieuwe (vierde) bestuurslagen ‘gijzelen’ de discussies over ruimtelijke kwaliteit. Daardoor worden allerlei samenwerkingsvormen voor ruimtelijke opgaven op bovenlokaal niveau, zoals bij de inzet en ontwikkeling van woningbouw, infrastructuur, bedrijventerreinen of natuur, gefrustreerd. Immers, ook daar blijkt sprake van steeds wisselende samenhangen tussen uiteenlopende verbanden en vraagstukken met een regiospecifieke variatie en geschiedenis, hetgeen maatwerk, flexibiliteit en variatie in bestuurlijke aansturing veronderstelt.

Bonussysteem

Opvallend is dat de wens tot het realiseren van ruimtelijke kwaliteit voor de verschillende bestuurslagen weliswaar een belangrijk argument vormt voor regionale samenwerking, maar dat de realisatie ervan zo moeizaam tot stand komt. Dat vinden niet-publieke partijen ook; gezamenlijk investeren in inhoudelijke en ruimtelijke kwaliteit is de moeite waard. Maar dan zou er wel meer onderling begrip en waardering moeten ontstaan voor afwijkende standpunten en visies of voor gerealiseerde resultaten. Een (financieel) bonussysteem zou de samenwerking in dat verband, ook met het bedrijfsleven, sterker en de medewerking daaraan aantrekkelijker maken, aldus Joep Thonissen, directeur van de brancheorganisatie Recron. Hij pleitte voor ‘doelverbanden’ die in staat moeten worden gesteld ruimtelijke vraagstukken op te lossen in plaats van opnieuw allerlei bestuurlijke rim-ram te veroorzaken.
Ervaringsdeskundige Jaap Modder, directeur van de stadsregio Arnhem/Nijmegen (KAN), was nauwelijks enthousiast over de inhoud en richting van het advies van de VROM-raad, omdat de ruimtelijke ordening geneigd is zich door bestuurders en bestuurlijke processen te laten inpakken. Er is sprake van een herhaling van zetten. “Onze gedecentraliseerde verdeelstaat schijnt zich niet te realiseren dat het Huis van Thorbecke inmiddels is afgebrand.”
Dat er – ondanks alle kritiek – veel kan verbeteren op het gebied van regionale en programmagestuurde samenwerking is evident. Het moet afgelopen zijn met de bestuurlijke krachtpatserij en met de bestuurlijke drukte. Daardoor komt de regionale ruimtelijke opgave onvoldoende uit de verf.
VROM-raad (2008): Wisselende coalities; naar een effectief regionaal ruimtelijk beleid (advies 068), Den Haag, ISBN 978-90-8513-034-5, 90 blz.

Reageer op dit artikel