nieuws

Opsporing leiding nog kwestie van slim combineren

bouwbreed Premium

Eén waterdichte methode om kabels en leidingen op te sporen is er de komende vijf jaar nog niet. Dat concludeert een projectgroep van het Centrum Ondergronds Bouwen (COB).

Voorlopig komt het dus aan op een slimme combinatie van radiodetectie, grondradar, metaaldetectie, proefsleuven graven en andere detectiemethoden, melden Ernest-Jan Achterhuis van ProRail en Karel Meinen van Arcadis.
Op het technologiesymposium van het COB deden zij verslag van een inventarisatie naar innovatieve opsporingsmethoden. Veel technieken zijn volgens de onderzoekers de afgelopen jaren wel verbeterd. Er zijn geen hoogopgeleide geofysici meer nodig om bijvoorbeeld een grondradar te bedienen en de meetgegevens te interpreteren. De software is een stuk gebruiksvriendelijker geworden en de apparaten zijn goedkoper in aanschaf. De prestaties van een radar zijn echter sterk afhankelijk van de grondsoort. Bij natte klei zijn de meetresultaten bijvoorbeeld erg onnauwkeurig, net als in de buurt van zout water. Zo heeft elke techniek een aantal nadelen en blinde vlekken. Leidingen die boven elkaar liggen laten zich lastig detecteren en vragen, als de kaarten niet helemaal betrouwbaar zijn, al gauw om een proefsleuf om precies te weten wat waar ligt.
Ondanks alle ontwikkelingen is de menselijke factor nog erg bepalend bij het opsporen. Het maakt nogal wat uit hoe een detectiebedrijf omgaat met de apparatuur en hoe het daarvan verslag doet. Daarom wil de COB-werkgroep als vervolg een ‘consumententest’ onder de bedrijven houden. Dat is fase twee in het onderzoek dat uiteindelijk het aantal schadegevallen door graafwerkzaamheden moet terugdringen. Bij een op de vijf van de 200.000 jaarlijkse grondroeringen die in de Nederlandse bodem plaatsvinden, gaat het mis en raakt een kabel of leiding beschadigd.

Reageer op dit artikel