nieuws

‘Mensen luisteren echt naar wat je hebt te zeggen’

bouwbreed Premium

De regels rond hoogbouw zijn onduidelijk met als gevolg dat iedereen noodgedwongen zijn eigen interpretatie geeft. Scheidend Rijksbouwmeester Mels Crouwel dringt er bij de minister op aan om landelijke regels te maken voor gebouwen boven de 70 meter.

Als Rijksbouwmeester

De rel rond de 262 meter hoge Belle van Zuylentoren in Leidsche Rijn versterkt die oproep. “Utrecht wil zijn visitekaartje, maar denkt onvoldoende na over de publieke invulling of de relatie met de omgeving. Als rijksbouwmeester had ik er niets over te zeggen, maar toch vroeg de minister om advies. Dat was wel stoer”, blikt Crouwel terug. Onlangs is het ontwerp aangepast. “Voor gebouwen tot 70 meter biedt het Bouwbesluit voldoende garanties, maar daarboven is weinig geregeld. Daar moeten landelijke richtlijnen voor komen.” Ook zou het Rijk moeten regelen waar hoogbouw wel en niet is toegestaan: “De Nota Ruimte zegt daar niets over en meer plekken in Nederland dan alleen de Waddenzee verdienen bescherming.” Tegelijk pleit de Rijksbouwmeester voor stimuleringsplekken in meer stedelijke gebieden.
“Je verandert Nederland niet van de ene op andere dag, maar er kan nog veel verbeteren als gemeenten meer onderling zouden samenwerken en niet allemaal vasthouden aan een eigen bedrijventerrein. Zolang het rekensommetje voor onbebouwde grond zo positief uitvalt, is het proces om steeds verder uit te breiden lastig te doorbreken.” Open deuren, maar lastig te veranderen, beseft Crouwel. Dat hij het bedrijventerrein in de Hoeksche Waard heeft weten te blokkeren, beschouwt hij als een succesje en een signaal dat Nederland het anders wil.
Hij heeft dan ook hoge verwachtingen van de nieuwe Architectuurnota die vandaag op de agenda van de ministerraad staat. De koers om eerst naar de mogelijkheden van de herbestemming van terreinen en leegstaande gebouwen te kijken, stemt hem optimistisch. Evenals de nieuwe wet Ruimtelijke Ordening waarin de kostenverdeling goed wordt geregeld. Ook al beseft hij dat de resultaten pas over tien jaar zichtbaar zullen zijn.

Afwisseling

Het is hem alles meegevallen hoeveel gezag de Rijksbouwmeester heeft. “Mensen luisteren echt naar wat je hebt te zeggen.” De afwisseling van zijn rol heeft hij als prettig ervaren. Allerlei projecten lopen door elkaar: verrommelde bedrijfsterreinen, advies over pps-projecten, de tuinen rond gebouw Westraven, de inzending voor de wereldtentoonstelling in Shanghai en sloop van een eco-woning. Dat de fietserslobby en politiek gekonkel hem dwongen de oorspronkelijke onderdoorgang bij het Rijksmuseum aan te passen, beschouwt hij als minst geslaagde bemoeienis. Tot zijn ergernis zweeg cultureel Amsterdam.
Meestal was hij vier dagen van de week bezig als Rijksbouwmeester in plaats van de afgesproken drie. Daarnaast tekent hij voor zijn eigen bureau nog aan het Stedelijk Museum. Hij moest wel even nadenken of hij de rol van Rijksbouwmeester zou accepteren. Zijn partner Jan Benthem stimuleerde hem om toch ja te zeggen op de functie: “Het is toch een unieke kans om aan de andere kant te kijken en je blik te verruimen.”

Direct na zijn studie in Delft begon hij zijn eigen architectenbureau Benthem Crouwel. “Ik heb altijd mooie opdrachten in Nederland gehad: Schiphol, Malietoren en Rietveldacademie en ben niet al jong naar het buitenland vertrokken, zoals vaak nu gebeurt.”

Hij ergert zich aan de lastige positie waarin jonge architecten momenteel verkeren: “De Europese aanbestedingsregels frustreren bij de selectie van architecten, bouwers en iedereen die inkoopt. Oprekken of flexibel mee omgaan helpt niet. Die regels dwingen iedereen in het defensief. Het beoogde doel van meer concurrentie is ver te zoeken. Grote bureaus en bouwers profiteren daarvan, maar kleinere, beginnende onder-nemers vallen structureel buiten de boot. De minister zou op hoog niveau in Brussel een grondige evaluatie moeten afdwingen”, windt Crouwel zich op.

Pps

De architect is ook niet overtuigd van de ingeslagen route van meer pps-projecten bij het Rijk. Toen hij in 2004 begon, had zijn voorganger Jo Coenen net zijn handen afgetrokken van de renovatie van het ministerie van Financiën. “Ik zat in het begin niet bij die vergaderingen. Op voorwaarde dat voor de overige vier projecten meer garanties voor de kwaliteit van het ontwerp zou komen, ben ik alsnog aangeschoven.” Hij beseft dat dbfm-contracten populair zijn bij het Rijk en bij de betrokken grote ondernemingen. “Combinaties schrijven voor die contracten nog steeds onder de raming in, terwijl voor andere projecten in Nederland megahoog wordt ingeschreven. Dat zegt iets.”
Hij is tevreden over de ontwerpen van de vijf pilots van de Rijksgebouwendienst, maar waarschuwt voor overhaaste conclusies dat pps-contracten het summum zouden zijn. “Met de plafondprijs die we bij de IBG en Belastingkantoor in Groningen hebben gebruikt, was het nog echt mogelijk om op architectonische kwaliteit te selecteren. Maar ik ben vooral benieuwd naar de evaluatie over twintig jaar en vraag me af of we dan nog steeds staan te juichen.”
De vergelijking van de Bond van Nederlandse Architecten dat de kroketten even belangrijk zijn als het ontwerp gaat hem net te ver, maar hij deelt de zorgen over de kwaliteit van het ontwerp en de veranderde rol van de architect die niet meer aan de kant van de opdrachtgever staat. “Het Rijk geeft het stuur uit handen en maakt zich afhankelijk van de ontwerpen van inschrijvende partijen. De verdeling van 50 procent voor kwaliteit en 50 procent voor de prijs is echt niet afdoende, want kwaliteit telt mee voor verschillende aspecten.”

Voordelen

Crouwel ziet meer in het koppelen van langlopende onderhoudscontracten aan traditionele aanbestedingsvormen. “Pps is niet geschikt als je een verrassend ontwerp wilt.” Hij ziet overigens wel de grote voordelen van de mogelijkheid om integraal te ontwerpen en verder te kijken dan de oplevering van een gebouw. Komende week draagt hij het stokje over aan Liesbeth van der Pol en zal zich weer wijden aan de renovatie van het Stedelijk museum en de mega-opdracht die zijn bureau net in het Duitse Koblenz binnenhaalde. “Ik heb veel geleerd, maar vier jaar is genoeg.” ■

Voorgangers

2000 – 2004 Jo Coenen
1995 – 2000 Wytze Patijn
1989 – 1995 Kees Rijnboutt
1986 – 1989 Frans van Gool
1979 – 1986 Tjeerd Dijkstra
1974 – 1979 Wim Quist
1958 – 1971 Jo Vegter
1946 – 1958 Gijsbert Friedhoff
1924 – 1945 Kees Bremer
1876 – 1921 Pierre Cuypers
1858 – 1867 Willem Nicolaas Rose
1806 – 1810 Jean-Thomas Thibault

Reageer op dit artikel