nieuws

‘Een gewoon bouwproject, alleen een beetje koud’

bouwbreed Premium

Marc Debandt van Besix Op maandag kwam hij terug van Antarctica, de volgende donderdag begon hij alweer in Amsterdam voor zijn werk aan de Tweede Coentunnel. De bouw van het Belgische onderzoeksstation op de Zuidpool was voor Marc Debandt van Besix een bijzondere ervaring, maar geen pionierswerk

Vanuit zijn kantoor langs de A10 kijkt hij over de Amsterdamse haven. Het contrast met zijn vorige werkplek kan bijna niet groter zijn. In plaats van uitgestrekte sneeuwvlakten zover het oog reikt, domineren bedrijfsgebouwen en rokende schoorstenen het uitzicht. Sneeuwstormen die de gevoelstemperatuur terugbrengen tot een ijzige min 40 graden Celsius hebben plaatsgemaakt voor kleinere ongemakken. Zoals een lift die op zich laat wachten of een koffieautomaat zonder bekertjes.
Maar kom bij Marc Debandt niet aan met dergelijke dramatische tegenstellingen. De Vlaming brengt de dromer met een romantisch beeld van bouwen op Antarctica snel met beide benen terug op de grond. “Het voelde niet echt als pionierswerk”, begint hij het gesprek droogjes. “Bij aankomst begin januari waren immers het tentenkamp, de mess en het sanitair al neergezet. De voorzieningen waren misschien elementair maar zorgden toch voor het ‘basiscomfort’. Bovendien slaagden de koks er keer op keer in om lekkere en gevarieerde maaltijden te serveren met elke dag een glaasje wijn. Per saldo was het project daardoor lang niet zo extreem als ik vooraf had gedacht. Vanaf dag één konden wij ons voor 100 procent concentreren op de bouwwerkzaamheden. Het voelde niet als een expeditie, eerder als een traditioneel bouwproject in een bijzondere omgeving. Met alle bekende hoogte- en dieptepunten.”

Werkdagen

Natuurlijk, de werkdagen duurden wat langer dan normaal. Vaak wel twaalf of dertien uur. En zeker aan het begin werd zeven dagen per week gewerkt, omdat we van goed weer moesten profiteren. Die lange werkweken waren ook precies de reden dat er van Debandts geplande wekelijkse verslag in Cobouwniet veel terecht kwam. De reeks stokte na drie afleveringen. Debandt: “Ik miste ’s avonds gewoon de fut om nog achter de tekstverwerker te kruipen.”
Dat de bouw van het paviljoen soepel verliep kwam volgens de bouwplaatscoördinator vooral doordat de operatie vooraf tot in de puntjes was voorbereid. Vorig najaar werd het complete onderzoeksstation al een keer in elkaar gezet in een oude treinloods in Brussel. Daar was de bouwmethode met massiefhoutbouw geperfectioneerd, zodat er op de Zuidpool weinig geïmproviseerd hoefde te worden.
Ook werd daar het besluit genomen om te werken met een vaste torenkraan en een mobiele kraan. De bestaande mobiele kranen waren niet bruikbaar omdat stukken zwaarder dan 8 ton niet konden worden gelost op het zeeijs. Debandt maakte zich daarom sterk voor de ontwikkeling van een eigen mobiele kraan. Die bestond uit het onderstel van een dumper en een Fassi-kraan gemonteerd op een stempelframe. De twee componenten werden afzonderlijk getransporteerd en op het landijs samengevoegd. Talrijke tilklussen werden met deze machine handig opgelost, temeer omdat de torenkraan door de reis en de kou wat ontregeld was. De beveiliging sloeg te snel aan, waardoor hij net niet de hele bouwplaats kon bestrijken.
Volgens de coördinator werkte ook het weer enorm mee. De eerste weken was het windstil, zonnig en zakte de temperatuur zelden beneden de -10 graden Celsius. Daardoor konden snel flinke vorderingen worden gemaakt. Na een paar weken noest doorwerken was daardoor niet langer de montage kritisch, maar de aanvoer van de bouwmaterialen.
De laatste containers met onderdelen van het station kwamen pas midden februari op de bouwplaats aan. Vlak voor kerstmis had een Russisch vrachtschip de containers, de kranen en de brandstof aan de kust afgezet op zo’n 200 kilometer van Utsteinen. Voor het transport naar de bouwplaats waren drie sneeuwtractoren beschikbaar die elk drie containers konden trekken. Een transport vergde maar liefst veertig uur.
Natuurlijk liepen er toch ook wel dingen anders dan voorzien.
Na de vorige expeditie was het concept van het poolstation immers gewijzigd van een stalen naar een houten constructie en de gevolgen hiervan waren groter dan verwacht. “Door het verschuiven van de steunpunten moesten we nu eerst een aantal betonnen poeren maken voordat de stalen kolommen op de rotsen konden worden verankerd. Gelukkig konden we cement en toeslagmiddelen tijdig aanvoeren en waren de weersomstandigheden gunstig, zodat deze extra operatie uiteindelijk geen invloed heeft gehad op de planning.”
Op een ander moment bleek een aantal wandelementen van de toegangstoren niet te passen. De montageploeg van de houtbouwer Prefalux was evenwel zodanig op elkaar ingespeeld dat het probleem al na enkele uren was opgelost.”
Inmiddels heeft iedereen het station alweer verlaten. Het Antarctische najaar breekt aan en dan wordt werken onmogelijk. Debandt: “We hebben misschien ook een dosis geluk gehad. Want de Duitsers die ook tijdens de afgelopen Antarctische zomer een onderzoeksstation wilden neerzetten, hebben nauwelijks een kolom kunnen plaatsen. Hun bevoorradingsschip kwam vast te zitten in het drijfijs, waardoor ze meteen al weken vertraging opliepen. Terwijl ons complete station er al bijna staat. Eind dit jaar worden de installaties afgebouwd en kunnen de eerste onderzoeken beginnen.”

Zinktunnel

Daar zal Debandt niet meer bij zijn. Zijn nieuwe taak ligt in Amsterdam, waar hij zich binnen de Coentunnel Company gaat bezighouden met de begeleiding van de bouw van de zinktunnel. Doordat nog niet alle handtekeningen zijn gezet, gebeurt er nog niet veel. Rijkswaterstaat is voorzichtiger geworden na de problemen bij Leiden Burgerveen, waar vanwege de fijnstofproblematiek het tracébesluit werd ingetrokken. De aannemer zit daar al maanden duimen te draaien en dat risico wilde Rijkswaterstaat niet nogmaals lopen. De betrekkelijke rust die dat bij de Coentunnel Company oplevert, geeft Debandt wat tijd om te acclimatiseren. “Als dit net zo’n werk wordt als de bouw van het Bijlmerstation in Amsterdam of de landtunnel bij Utrecht waar ik daarvoor werkte, hoort niemand mij klagen. Ik weet het, het klinkt een stuk minder avontuurlijk dan de bouw van een paviljoen op de Zuidpool, maar technisch is de Coentunnel wel een stuk uitdagender.” n

Reageer op dit artikel