nieuws

Discussie over wettelijke rente en UAV lijkt definitief beslecht

bouwbreed Premium

De vraag over de rente is met name gesteld in gevallen waarin de UAV 1989 (hierna: UAV) van toepassing zijn op de overeenkomst van aanneming van werk, die de opdrachtgever en de aannemer met elkaar zijn aangegaan.

De vraag over de rente is met name gesteld in gevallen waarin de UAV 1989 (hierna: UAV) van toepassing zijn op de overeenkomst van aanneming van werk, die de opdrachtgever en de aannemer met elkaar zijn aangegaan.
Paragraaf 45 lid 1 van de UAV bepaalt dat de aannemer recht heeft op de rente “tegen het wettelijk percentage”. In het verleden leverde de uitleg van deze bepaling geen probleem op: er was één wettelijke rente, overigens met dien verstande dat van deze ene wettelijke rente de hoogte periodiek werd bepaald.
Echter, eind 2002 is in de wet een tweede rente opgenomen, de zogenaamde wettelijke handelsrente. Deze rente is gebaseerd op Europese regelgeving en is bedoeld om betalingsachterstanden te bestrijden. Het percentage van deze nieuwe wettelijke handelsrente is dan ook duidelijk hoger dan het percentage van de “gewone” wettelijke rente.
De overeenkomst van aanneming van werk is te kwalificeren als een zogenaamde handelsovereenkomst, waarop krachtens de wet de handelsrente van toepassing is. Wat echter als de UAV van toepassing verklaard zijn? In de UAV wordt, zoals gezegd, verwezen naar de rente tegen het wettelijk percentage.
Gaat het hierbij nu om de oude, gewone wettelijke rente of de nieuwe, hogere wettelijke handelsrente? Over deze vraag is de afgelopen jaren regelmatig geprocedeerd, vooral bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw.
Het antwoord was niet gemakkelijk te geven. In verschillende procedures zijn van opdrachtgeverszijde én van aannemerszijde goede, althans voorstelbare argumenten gehanteerd. Arbiters hebben ook niet altijd eensluidend geoordeeld. Echter, in een uitspraak d.d. 8 augustus 2007 lijkt de Raad van Arbitrage voor de Bouw definitief te kiezen voor de uitleg waarbij de rente van de UAV wordt bepaald op de hogere wettelijke handelsrente, zulks in navolging van een uitspraak van 24 april 2007.
Bovenop deze hogere handelsrente komt dan nog eens de 2 procent-verhoging van lid 2 van paragraaf 45 van de UAV als de opdrachtgever na een nieuwe sommatie langer dan twee weken nalatig blijft om aan de betalingsverplichting jegens de aannemer te voldoen.
Hoewel de UAV rente op rente uitsluiten, gaat het dus om een fors (totaal) rentepercentage. In de uitspraak van 24 april 2007 hebben arbiters dit ook toegegeven, maar niettemin beslisten zij in het voordeel van de aannemer, die dus recht heeft op vergoeding van de hogere wettelijke handelsrente plus 2 procent. Deze beslissing is in de uitspraak van 8 augustus 2007 bevestigd. De discussie over de rente lijkt dus definitief beslecht in het voordeel van de hogere wettelijke handelsrente.
De wettelijke handelsrente is van regelend recht. Anders gezegd: partijen mogen een andere – hogere of lagere – rente overeenkomen. Rijkswaterstaat als grote opdrachtgever heeft dan ook naar aanleiding van dit kennelijk definitieve standpunt van de Raad van Arbitrage voor de bouw aangekondigd om in de nieuwe bestekken de 2 procent-verhoging uit te zullen sluiten. Wij zijn benieuwd welke andere opdrachtgevers dit voorbeeld nu volgen en of, en zo ja: hoe, er in toekomstige bestekken van paragraaf 45 van de UAV zal worden afgeweken.

Reageer op dit artikel